VIJFDE HOOFDSTUK.

„– Ge hebt me van mijn land beroofd,

Mijn hout gekapt, boomen geveld,

Mijn wapenschild van boven deur en poort

neergehaald. Ge hebt me niets gelaten

Dan het geloof des volks in mijn eigen bloed,

Om te bewijzen dat ik nog van adel ben!”

Shakspeare.

Zoodra de kapitein met de boot aan boord gekomen was, werden de zeilen

geheschen en de ankers gelicht. Drie saluutschoten voor het kasteel van

Ellangowan werden gelost, en een gunstige landwind verwijderde het

schip snel van de kust.

„Ei zie toch!” zei de heer van de plaats tot zijn gast, dien hij reeds

eenigen tijd gezocht en nu gevonden had, „daar varen zij heen, daar

gaan de smokkelaars heen. Dat is Dirk Hatteraick, kapitein van de

Juffer Hagenslapen, half Schot, half Hollander, half duivel! Dat gaat

er door, den boegspriet uitgestoken, het groote zeil, topzeil en

bramzeil, marszeil en alle zeilen in top, en dan voort – hem volge, wie

maar kan! Die vent, Mijnheer Mannering, is de schrik van alle

tolschepen; zij kunnen hem niets doen; hij slaat ze af, of weet altijd

weg te komen. Maar het spreken over den tol herinnert me er aan, dat ik

u tot het ontbijt noodigen wilde; gij zult een kopje thee drinken, dat

–”

Mannering bemerkte nu, dat de gedachten van Bertram zich wonderlijk

aaneen schakelden, en bracht hem, voor dat hij verder afdwaalde, door

eene vraag naar Dirk Hatteraick, weder op het punt, waarvan hij was

uitgegaan.

„Ja hij is – geen kwade, maar een vermetele deugniet; – een ieder

wachte zich, om hem iets in den weg te leggen; een smokkelaar, als hij

zijne kanonnen tot ballast gebruikt, – een kaper, of liever zeeroover,

wanneer ze op de affuiten liggen. Niemand heeft de tolbedienden zooveel

schade gedaan, als hij.”

„Dan verwondert het mij, Mijnheer Bertram, dat iemand van zijn aard

hier bescherming en aanmoediging vindt.”

„Waarom, Mijnheer Mannering? Men moet toch brandewijn en thee hebben,

en men kan ze niet anders dan langs dien weg bekomen. Daarbij wordt er

ook niet scherp gerekend, en vindt men tegen Kersmis ook wel eens een

paar vaatjes, of een dozijn pond thee voor de staldeur, in plaats van

de vervloekte lange rekeningen van den kruidenier te Kippletringan, die

altijd klinkende munt wil hebben, of op zijn best zeer kort crediet

geeft. En Hatteraick neemt hout of garst, of wat het ook wezen mag,

aan. Ik zal u eene fraaie grap daarvan verhalen. Er was eens een heer,

Macfie van Gudgeonford, die eene groote menigte kippen had, welke de

pachters, in plaats van pacht of huur, aan den landheer betalen; – die

ik krijg, zijn altijd zeer slecht gevoerd; verleden week zond mij

Luckie Finiston er drie; het was schande, zoo als ze er uitzagen, en

zij heeft toch eene flinke pachthoeve – het is de vrouw van Duncan

Finiston, die onlangs gestorven is; – we moeten toch allen eenmaal

sterven; – wij spreken nu wel over sterven, maar laat ons intusschen

leven: het ontbijt staat op de tafel en de Dominé is gereed, het gebed

te doen.”

Sampson deed diensvolgens een gebed, hetwelk veel langer was, dan

Mannering van den woordkarigen man verwacht had. De thee, welke zonder

twijfel van den edelen kapitein Dirk Hatteraick afkomstig was, werd

voortreffelijk gevonden. Mannering gaf echter, met de noodige

bescheidenheid, een wenk betreffende het gevaar, dat er in gelegen was,

om zulke gevaarlijke menschen aan te moedigen. „Ware het dan alleen om

rechtvaardig te zijn op het punt van het tolwezen, zoo zou ik toch

denken. –”

„O! de tolbedienden,” zei Bertram, die nooit een algemeen of

afgetrokken denkbeeld vatte, en bij tolrecht of tolwezen aan niets

anders dacht, dan aan opzichters, ontvangers en andere tolbedienden,

die hij bij toeval kende; – „de tolbedienden weten wel voor zich zelven

te zorgen. Niemand behoeft hen te helpen, en buitendien hebben zij de

soldaten ook nog tot hun bijstand. En wat het recht aangaat, daarmede

heb ik niets te doen, want Mijnheer Mannering! het zal u zeker

verwonderen te hooren, dat ik niet eens vrederechter ben.”

Mannering toonde de verwondering bij hem verondersteld, ofschoon hij

bij zich zelven dacht, dat het achtbare gerechtshof er niet veel nadeel

bij leed, dat zijn goedaardige gastheer geen lid daarvan was. De heer

Bertram was door dit gesprek op een van die weinige onderwerpen

gekomen, waarin hij veel belang stelde en waarover hij met eenig vuur

sprak. „Neen, Mijnheer,” vervolgde hij, „de naam van Godfried Bertram

van Ellangowan is niet op de lijst der nieuw benoemde vrederechters,

ofschoon hier bijna ieder landeigenaar, hoe gering zijn eigendom ook

wezen moge, naar de vergaderingen van het gerechtshof moet rijden en

den titel van vrederechter achter zijn naam mag plaatsen. Ik weet

echter best wien ik dat te danken heb. Sir Thomas Kittlecourt zei bijna

ronduit, dat hij het mij betaald zou zetten, als ik hem bij de laatste

verkiezing niet helpen wilde, – en omdat ik liever partij koos voor

mijn eigen bloedverwant, den heer van Bulraddery, schrapten zij mijn

naam van de lijst der kiezers en nu, dat men vrederechters benoemt,

laat men mij er buiten! En als ze zeggen, dat het gebeurt omdat ik den

veldwachter Mac-Guffag de stukken liet opmaken en alles zelf doen,

alsof ik een wassenbeeld was, dan is dat gelogen; – want van mijn leven

heb ik niet meer dan zeven bevelen tot arrestatie uitgevaardigd, en de

Dominé schreef ze allemaal – en het was niet dan bij ongeluk, dat in

die malle zaak van Mac-Gruttier de dienders hem een paar dagen in het

oude slot opgesloten hielden, tot zij eene goede gelegenheid konden

vinden om hem naar de gevangenis over te brengen, – wat mij, tusschen

twee haakjes, – een boel geld kostte. – Ik begrijp echter best wat Sìr

Thomas wil; – even als in de quaestie over de zitplaats in de kerk te

Kilmagirdle. – Ik zou ook wel willen weten, of die plaats in de voorste

bank mij niet eerder toekwam dan Mac-Crosskie van Creschstone, den zoon

van een wever uit Dumfries?”

Mannering gaf zijne sympatie te kennen met al deze grieven.

„Ja, Mijnheer Mannering, – en dan was de geschiedenis over den weg en

den dijk. – Daar stookte Sir Thomas ook achter en ik zeide ronduit aan

den Griffier, dat bij hem de aap uit de mouw kwam, – en daar konden zij

van maken wat ze verkozen. Nu vraag ik u, of eenig fatsoenlijk man, –

of eenige fatsoenlijke lieden, het in ’t hoofd zouden krijgen om een

weg aan te leggen dwars over den hoek van een ingedijkten polder en –

zoo als mijn rentmeester zeide, minstens twee roeden weiland bederven?

En dan was er weêr de zaak over de benoeming van een ontvanger van –”

„’t Is zeker hard voor u, Mijnheer, om met minachting te worden

bejegend in een streek waar uwe voorouders, – naar hun aloud verblijf

te oordeelen, – eene zeer belangrijke rol hebben gespeeld.”

„Wel waar, Mijnheer Mannering! – Ik ben een eenvoudig man, die zich

niet veel daarop laat voorstaan, en daar niet veel van weet; maar ik

wilde wel, dat gij mijn vader had kunnen hooren vertellen van de oude

gevechten der Mac-Dingawaies (de voorouders der tegenwoordige Bertrams)

tegen de Ier- en Hooglanders, die met hunne volgelingen uit

Ilay-Cantyre hierheen kwamen, en van hunne tochten naar het Heilige

land, naar Jeruzalem en Jericho, met hun geheelen stam. (Zij zouden

beter gedaan hebben niet naar Jamaïka te trekken, als de oom van Sir

Thomas Kittlecourt); maar zij hebben reliquien, zoo als de Katholieken

hebben, en een vaandel, dat nog op den zolder ligt, vandaar

medegebracht. Zij hadden beter gedaan, indien zij uit Jamaïka kisten

met suiker en vaten met rum medegebracht hadden; dan zou het er thans

met deze bezittingen beter uitzien. Er is echter geen vergelijking

tusschen het slot van Kittlecourt en het kasteel van Ellangowan. Hun

gebouw heeft een front van nog geen veertig voet. – Maar gij vergeet

het ontbijt geheel en al, Mijnheer Mannering! Proef toch iets van dezen

ingelegden zalm. John Hay heeft hem juist Zaterdag voor drie weken

gevangen in de beek bij Hempseed – enz. enz.”

De gastheer, wiens verontwaardiging hem een tijdlang bij één onderwerp

bepaald had, verviel nu weder tot zijne gewone afdwalingen onder het

spreken, zoodat Mannering overvloedig tijd had, om na te denken over

het vervelende van een toestand, die hem voor een uur nog

benijdenswaardig voorgekomen was. Hij hoorde hier een landedelman,

wiens meest prijzenswaardige eigenschap zijne goedaardigheid scheen te

zijn, zich zelven kwellen en tegen anderen morren, en dat over zaken,

welke, bij wezenlijke ongelukken vergeleken, als een stofje aan de

weegschaal wegen. Maar zoo bedeelt de Voorzienigheid allen met gelijke

rechtvaardigheid, en diegenen, welke geene zware rampen ondervinden,

worden door kleinigheden gekrenkt, die hunne blijmoedigheid storen.

Nieuwsgierig om de zeden des lands te leeren kennen, vroeg Mannering na

een geëindigd verhaal van zijn gastheer, wat kapitein Hatteraick toch

met de Heidin te doen kon hebben? „Ik denk dat zij zijn schip moest

zegenen. Gij moet weten, Mijnheer Mannering, dat deze vrijhandelaars,

of smokkelaars, zoo als de wet hen noemt, geen godsdienst hebben, maar

in het algemeen zeer bijgeloovig zijn en veel met bezweringen,

tooverspreuken en dergelijken onzin ophebben.”

„IJdelheid en nog erger,” sprak Sampson. „Het is omgang met den booze.

Bezweringen, amuletten, tooverspreuken zijn van hem afkomstig –

uitgezochte pijlen uit den koker van Apollyon.”

„Houd je toch stil, Dominé! gij spreekt ook onophoudelijk,” (het waren

de eerste woorden, die de arme man, behalve het gebed en de

dankzegging, den geheelen morgen gesproken had), „mijnheer kon om u

immers niet aan het woord komen! En nu, Mijnheer Mannering, terwijl wij

over waarzeggerij, bezweringen en dergelijken spreken, valt het mij in;

zijt ge zoo goed geweest om te denken aan hetgeen, waarover wij

gisteren avond gesproken hebben?”

„Ik begin bijna met uwen waardigen vriend te denken, Mijnheer Bertram,

dat ik met scherpe messen gespeeld heb. Ofschoon gij, noch ik, noch

eenig ander verstandig mensch aan de voorspellingen der

sterrenwichelarij geloof kan hechten, zoo is het toch wel eens gebeurd,

dat in scherts gedane navorschingen in de toekomst een ernstigen en

nadeeligen invloed, zoowel op handelwijze als op het karakter, gehad

hebben: dus verzoek ik u, mij van het antwoord op uwe vraag te

verschoonen.”

Zoo als gemakkelijk vooruit te zien was, spande deze uitvlucht de

nieuwsgierigheid van Bertram nog hooger. Mannering had nochtans stellig

besloten, het kind niet bloot te stellen aan de ongemakken, welke er

uit voortvloeien konden, indien de ouders wisten, dat het een

ongelukkig lot voorspeld was. Hij stelde daarom het papier, dat zijne

lotsvoorspelling bevatte, verzegeld aan zijn gastheer ter hand, met

dringend verzoek, om het tot het einde van November na verloop van vijf

jaren, ongeopend te bewaren. Hij gaf hem de vrijheid om, als die tijd

verstreken zou zijn, het geheim geschrift te openen, vertrouwende, dat

men aan den verderen inhoud ook geen geloof zou hechten, als het eerste

onheilspellend tijdperk zonder ongelukken verstreken was. Bertram

beloofde dit zonder tegenspraak. Om hem zijne belofte des te beter te

doen houden, gaf Mannering hem nog te verstaan, dat er zeker het een of

ander ongeluk plaats zoude hebben, indien zijn verzoek niet stipt

nagekomen werd. Voor het overige verliep de dag, welke Mannering nog op

Bertrams verzoek, te Ellangowan doorbracht, zonder eenig merkwaardig

voorval. Den volgenden morgen liet onze reiziger zijn paard zadelen,

nam hartelijk afscheid van zijnen vriendelijken gastheer en diens

geestelijken huisvriend, herhaalde zijne wenschen voor het welzijn van

het geheele huis, en verdween hierop spoedig uit het gezicht der

bewoners van Ellangowan, terwijl hij den weg naar Engeland insloeg. Ook

wij verliezen hem nu uit het gezicht, tot hij in een later tijdperk van

zijn leven, waarop deze geschiedenis betrekking heeft, weder te

voorschijn treedt.

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 7 / 75 题