VIERDE HOOFDSTUK.

„Kom, zie hier! Vertrouw uw eigen oog!

Verschrikkelijk dreigt een vijand uw bestaan.

Een booze geest loert achter uw planeet

Met woest gebaar. Wees op uw hoede!”

Schiller.

In het midden der zeventiende eeuw was het geloof aan sterrewichelarij

bijna algemeen; tegen het einde daarvan begon het te wankelen en werd

twijfelachtig, en in het begin der achttiende kreeg deze kunst algemeen

een’ slechten naam, en begon zelfs belachelijk te worden. Nochtans had

ze, zelfs onder de geleerden, nog altijd hare aanhangers. Ernstige,

geletterde mannen waren niet zeer geneigd, de berekeningen te laten

varen, welke, van hunne jeugd af, het hoofdvoorwerp van hunne studie

geweest waren, en nog minder om van de hoogte af te dalen, waarop het

vermeende vermogen, om door het raadplegen van hoogere invloeden en de

beweging der hemellichamen in de toekomst te zien, hen boven andere

menschen verheven had.

Onder diegenen, welke dit ingebeelde voorrecht met onwankelbare trouw

vasthielden, was een oud geestelijke, onder wiens toezicht Mannering

zijne jeugd doorgebracht had. Hij bedierf zich de oogen door het

beschouwen der sterren, en brak zich het hoofd met berekeningen over

hunne verschillende verbindingen.

Een gedeelte van de geestdrift des leermeesters werd natuurlijk aan

zijnen jongen kweekeling medegedeeld, en deze legde zich er een

tijdlang met ijver op toe, om zich de kunstmatige sterrekundige

berekeningen eigen te maken, zoodat menig meester hem, voor dat hij van

de ijdelheid dezer kunst overtuigd was, den lof van een voortreffelijk,

oordeelkundig leerling te zijn geschonken zou hebben.

Den volgenden morgen begon hij, zoodra het daagde, het lot van den

jongen erfgenaam van Ellangowan te berekenen. Hij volgde nauwkeurig

alle regelen der kunst, zoo wel om den schijn te bewaren, als uit eene

soort van nieuwsgierigheid, om te weten, of hij in deze ingebeelde

kunst nog ervaren was. Dien ten gevolge verdeelde hij het hemelgewelf

in twaalf huizen, plaatste de planeten daarin en rangschikte ze naar

het uur en de minuut der geboorte. Zonder onze lezers met de algemeene

voorspellingen, welke hieruit stelselmatig berekend hadden kunnen

worden, lastig te vallen, merken wij alleen aan, dat één teeken in de

gemaakte schets bijzonder de opmerkzaamheid van onzen sterrewichelaar

tot zich trok. Mars, welke in den top van het twaalfde huis heerschte,

dreigde den jonggeborene met gevangenschap of een spoedigen en

geweldigen dood, en toen Mannering zijne berekening vervolgde, om de

kracht van dit booze gesternte te bepalen, bleek het, dat drie

tijdperken bijzonder gevaarlijk zouden zijn, namelijk: zijn vijfde,

tiende en één en twintigste jaar.

Hierbij was nog eene omstandigheid merkwaardig. Mannering had namelijk

eens te voren, op verlangen van Sophia Wellwood, zijne geliefde, ene

soortgelijke zotternij begaan, en bij het stellen van hare geboorte had

hij gevonden, dat de invloed der planeten haar, in haar negen en

dertigste jaar, met dood of gevangenis bedreigde. Zij was nu achttien

jaar oud, zoodat, naar de uitkomst der beide berekeningen, haar, in

hetzelfde jaar, hetzelfde ongeluk dreigde, hetwelk aan het kind, dat in

dezen nacht geboren was, voorspeld werd. Verwonderd over deze zeldzame

overeenkomst, herhaalde Mannering zijne berekeningen, en vond telkens

dezelfde verrassende overeenkomst, ja eindelijk bleek het, dat zelfs de

maand en dag van het gevaarlijk tijdstip overeenstemden.

Men zal gereedelijk gelooven, dat wij aan deze omstandigheden geen

gewicht hechten. Maar het gebeurt dikwijls dat wij, door onze

ingeschapene zucht naar het wonderbare verleid, ons er opzettelijk op

toeleggen, om onze betere inzichten te misleiden. Of nu de gemelde

overeenkomst waarlijk één van die zeldzame toevallen was, welke tegen

alle gewone berekening wel eens plaats hebben, dan of Mannering,

verbijsterd door de ingewikkelde berekeningen, ongevoelig tweemaal

denzelfden draad gevolgd was om uit dezen doolhof te geraken, dan of

zijne verbeelding, door eene schijnbare overeenkomst misleid, hem de

gelijkheid der beide gevallen volkomener deed vinden dan ze inderdaad

was, – dat is onmogelijk te bepalen; maar zooveel is zeker, dat deze

omstandigheid een levendigen en onuitwischbaren indruk op zijn gemoed

naliet.

„Heeft de booze zijne hand in het spel?” sprak hij tot zich zelven, „om

zich er over te wreken, dat wij met eene kunst schertsen, welke van hem

haren oorsprong heet te ontleenen? Of hebben Bacon en Sir Thomas Browne

gelijk, als zij met anderen beweren, dat er in eene kunst- en

regelmatige sterrewichelarij iets waars is, en dat de invloed der

sterren niet geloochend mag worden, ofschoon de aanwending der kunst

door de bedriegers, welke daarmede hun spel spelen, zeer verdacht

geworden is?” – Een oogenblik van nadenken deed hem nochtans dit

gevoelen verwerpen, als eene dwaze gril, welke die geleerden alleen

bevestigd hadden, omdat zij niet op eens het algemeen vooroordeel van

hun tijd durfden aantasten, of, omdat zij zelven nog niet geheel vrij

waren van den aanstekelijken invloed van het heerschend bijgeloof. De

uitkomst van zijne berekeningen in deze beide gevallen maakte

intusschen zulk een onaangenamen indruk op zijn gemoed, dat hij, even

als Prospero [3], besloot, om zich nooit, in scherts, noch in ernst,

weder met de sterrewichelarij te bemoeien.

Hij overlegde langen tijd, wat hij den heer van Ellangowan van het

horosocop zijns eerstgeborenen zeggen zou; ten laatste besloot hij

echter hem alles openhartig mede te deelen, doch hem tevens de

ijdelheid en dwaasheid van de regels, welke hij bij zijne berekening

gevolgd had, aan te toonen. Met dit voornemen begaf hij zich op het

terras voor het oude slot.

Niet minder schoon dan bij het heldere maanlicht van den vorigen nacht,

waren de omstreken van Ellangowan in den glans van de morgenzon. Zelfs

in de maand November was het land nog bekoorlijk onder haren milden

invloed. Een steil, maar effen pad, voerde van het terras naar de nabij

gelegen hoogte, waarop de oude burcht lag. Deze bestond uit twee dikke

ronde torens, welke zich somber boven een lagen muur, die ze met

elkander verbond, verhieven, en den ruimen ingang beschermden, die door

een trotschen boog naar het binnenste slotplein leidde. Het

familiewapen was in hardsteen boven de poort uitgehouwen, waarin men

nog het noodige zag, om de valdeur neer te laten en de brug op te

halen. Een ruw hek, van dennenstammen aaneengespijkerd, was het eenige,

dat dezen eens zoo geduchten ingang verdedigde. Het plein voor het slot

leverde een heerlijk gezicht op.

De woeste streek, waardoor Mannering den vorigen dag gereisd was, werd

door eenige hoogten voor het oog verborgen, en eene rivier, die nu eens

zichtbaar was en dan weder tusschen hooge, boschrijke oevers verdween,

doorsneed het bevallig door heuvelen en dalen afgewisseld landschap.

Een dorpje, waarvan slechts de kerktoren en enkele huizen zichtbaar

waren, lag aan den oever der zee, bij de monding van den stroom. De

dalen schenen goed bebouwd te zijn, en de omheiningen, waardoor de

grond verdeeld was, liepen nu eens langs den voet der heuvelen en

slingerden dan tegen de hoogte op. Hoogerop lagen welige weiden, waarop

groote kudden horenvee, toen ter tijd de grootste rijkdom van deze

gewesten, graasden en met hun geloei het landschap verlevendigden. De

verder afgelegen hoogten hadden een ernstiger aanzien, en de

gezichteinder was begrensd door hooge, donkere bergen, die de

natuurlijke grenzen van het bebouwde land schenen te zijn en er een

eenzaam en afgelegen voorkomen aan gaven. De zeekust, welke Mannering

nu in hare geheele uitgestrektheid zag, was even schoon en afwisselend,

als het landgezicht. Hier en daar verhieven zich steile rotsen, veelal

met de overblijfsels van oude sloten, torens of bakens bedekt, welke,

volgens de overlevering, in elkanders gezicht gebouwd waren, om, bij

vijandelijke invallen of burgeroorlogen, tot wederzijdsche bescherming

of verdediging, door seinen gemeenschap met elkander te kunnen

onderhouden. Het slot Ellangowan was verreweg het aanzienlijkste en

uitgestrektste van deze oude burchten, en bevestigde, door grootte en

ligging, het hooge aanzien, dat de stichters, naar het volksverhaal,

eenmaal onder de hoofden en edelen van het land bezeten hadden. Op

andere plaatsen had de kust een bevalliger aanzien. Hier en daar staken

boschrijke landtongen in zee uit, of was de zacht hellende oever met

kleine baaien doorsneden.

Dit gezicht overtrof zoo zeer de verwachting, welke Mannering zich op

zijne reis den vorigen avond gemaakt had, dat het een diepen indruk op

hem maakte. Beneden hem lag het nieuwe huis, wel geen meesterstuk van

bouwkunst, maar de ligging er van was bekoorlijk. Hoe gelukkig, dacht

hij, zou het leven in zulk eene eenzaamheid voortsnellen! Hier de

treffende overblijfselen van oude grootheid en het geheime bewustzijn

van familie-trots, dat ze inboezemen, en daar zooveel hedendaagsche

netheid en gemak, dat iedere bescheiden wensch bevrediging kan vinden.

Hier, en hier met u, Sophia!

Wij zullen deze droomerijen van een verliefde niet verder voortzetten.

Mannering stond een oogenblik met over elkander geslagen armen, en

keerde toen naar het vervallen kasteel terug.

De ruwe pracht van het binnenplein beantwoordde volkomen aan het

grootsche uiterlijk. Aan de eene zijde was eene rij hooge en ruime

vensters, welke eens de groote zaal van het slot verlicht hadden; daar

tusschen stonden zware, gebeeldhouwde pilaren; aan de andere zijde

waren gebouwen van onderscheidene hoogte en ouderdom, doch zoo te zamen

gevoegd, dat zij een eenigszins harmonisch geheel uitmaakten. Deuren en

vensters waren met ruw verheven beeldwerk versierd, dat deels

onbeschadigd, deels gebroken, of met klimop en andere onder de

puinhoopen welig groeiende slingerplanten bedekt was. De tegenover den

ingang liggende zijde van het plein was voorheen ook door eene rij

gebouwen ingesloten geweest; doch dit gedeelte van het slot had, naar

men verhaalde, gedurende den burgerkrijg, onder Cromwell, zoo zeer door

het geschut geleden, dat er in de bouwvallen eene groote opening was,

waardoor Mannering de zee en een klein gewapend vaartuig, dat midden in

de baai lag, kon zien. Terwijl Mannering in de bouwvallen rondkeek, [4]

hoorde hij, in een vertrek aan de linkerzijde, de stem van de Heidin,

die hij den vorigen avond gezien had. Hij vond weldra eene opening,

waardoor hij haar ongezien waarnemen kon, en hare gestalte, hare

bezigheid en haar geheele toestand deden hem onwillekeurig aan eene

oude Sybille denken.

Zij zat op een gebroken hoeksteen in den hoek van een met steen

bevloerd vertrek, waar zij een plaatsje voor haar snorrend spinnewiel

schoon geveegd had. Een heldere zonnestraal viel door een hoog smal

venster op hare woeste gelaatstrekken en vreemde kleeding, en

verschafte haar licht bij haren arbeid. Diepe schemering heerschte in

het overige van het vertrek. Hare kleeding was de volkskleeding van de

geringe klasse in Schotland, eenigszins op Oostersche manier gewijzigd.

Zij spon een draad uit wol van driederlei kleur, zwart, wit en grauw,

en zong daarbij eenige woorden, welke als eene tooverspreuk luidden. Te

vergeefs trachtte Mannering alle woorden van haar gezang te verstaan,

en stelde toen naar eenige plaatsen, die hij duidelijk verstond, de

volgende navolging op, welke hij voor vrij getrouw hield:

Spint en draait! In ’s levens draad

Mengt zich dus ook goed en kwaad,

Hoop en vrees, in vrede en strijd,

Luide vreugde en treurigheid.

Wie den tooverdraad ook spint

Bij het worden van een kind,

Zie, hoe menig wiss’lend beeld

Flauw in ’t scheemrend schijnsel speelt!

Dwaasheên, woeste drift en wraak,

Lijden, volgende op vermaak,

Argwaan, wanhoop, vrees en kans

Zien wij in den tooverdans.

Zoo als ’t spinrad keert en wendt,

Wiss’len blijdschap en ellend’.

Spint en draait! in ’s levens draad

Mengt zich dus ook goed en kwaad.

Voor dat Mannering hiermede gereed was, had de Heidin haar werk gedaan

of was hare wol versponnen. Hierop wond zij het garen van de spil af en

mat de lengte er van, terwijl zij den draad over haren elleboog en

tusschen haren duim en voorsten vinger doorsloeg. Toen zij dit gedaan

had, mompelde zij in zich zelve: – „een streng, maar geen volle streng

– driemaal twintig jaren en tien, maar driemaal gebroken en driemaal

weder aangeknoopt; het zal een gelukkige knaap zijn, indien hij er

doorkomt!”

Juist wilde Mannering de waarzegster aanspreken, toen hij eene stem,

ruw als het geklots der golven, waartusschen zij klonk, tweemaal met

klimmend ongeduld hoorde roepen: „Meg, Meg Merrilies! Heidin,

tooverheks, duizend duivels!”

„Ik kom, ik kom, kapitein!” antwoordde zij, en na eenige oogenblikken

trad de ongeduldige bevelhebber, dien zij zoo antwoordde, door de

opening in de bouwvallen.

Hij was, naar het uiterlijk te oordeelen, een zeevaarder, niet meer dan

middelmatig groot, en zijn gelaat door wind en zeelucht gebronsd. Hij

was zeer gespierd en gedrongen van gestalte, zoodat hij buitengemeen

sterk scheen te zijn en in een gevecht volkomen bestand tegen iemand,

die veel grooter was dan hij. In zijne harde trekken zag men niets van

den zorgeloozen, vroolijken moed en ijdele nieuwsgierigheid, waardoor

de zeeman zich gewoonlijk aan wal onderscheidt. Dit zijn hoedanigheden,

welke zeker er toe bijdragen om den zeeman populair en in het

maatschappelijke leven een gewenschten gast te maken. Zijn moed en

onversaagdheid eischen eerbied, en de vreedzame landman gevoelt zich

soms daartegenover wellicht wat vernederd, – terwijl eerbied en

vernedering niet geschikt zijn om ingenomenheid aan te kweeken met

diegenen die ze inboezemen. Het zijn echter de jongensachtige grappen,

de opgewondene vroolijkheid en de zorgeloosheid van den zeeman, die

zijne meer afschrikkende karaktertrekken verzachten. Op het gelaat van

den man die zich nu vertoonde, was echter niets van dien aard te lezen.

Integendeel, een woeste en sombere blik verduisterde trekken, die ook

zonder dien alles behalve innemend en aangenaam zouden geweest zijn.

„Waar zijt gij toch, oude tooverkol!” riep hij met eene eenigszins

vreemde uitspraak, ofschoon volkomen goed Engelsch sprekende. „Donder

en bliksem! wij hebben reeds een goed half uur gewacht. Kom en zegen

het schip en onze reis, en wees zelve vervloekt, gij satansche heks!”

Op dit oogenblik werd hij Mannering gewaar, die nog op dezelfde plaats

stond, waar hij den tooverzang van de heidin beluisterd had, en zich

scheen te willen verschuilen, daar de hoek van den muur, waarachter hij

stond, hem bijna geheel verborg. De kapitein, zoo noemde hij zich

zelven, was een oogenblik bedremmeld en zweeg, tastte in den boezem,

alsof hij eenig wapen zocht, en riep toen: „Wat wilt gij, vriendje? gij

ligt misschien op de loer, niet waar?”

Vóór dat Mannering, verbaasd door de dreigende gebaren en onbeschaamde

toespraak, antwoorden kon, trad de heidin uit haar gewelf en naderde

den vreemdeling. De zeeman vroeg haar, op Mannering wijzende, zachtjes:

„Een loerende tolbediende, he?”

Zij antwoordde op denzelfden fluisterenden toon: „Schei uit met je

schelden! Ge hebt het geheel mis; hij is op het slot, een vreemd heer.”

Het donkere gezicht van den kapitein helderde nu op. „Goeden morgen,

Mijnheer!” zeide hij, „Ik hoor, dat gij een gast van mijn waarden

vriend Bertram zijt. Vergeef mij, ik hield u voor geheel iets anders.”

„En gij zijt waarschijnlijk de kapitein van dat schip in de baai?”

antwoordde Mannering.

„Zoo is het, Mijnheer! Ik ben Dirk Hatteraick, kapitein van het schip

de Juffer Hagenslapen, en zeer bekend op deze kust. Ik schaam mij noch

voor mijn naam, noch voor mijn schip, noch voor mijne lading.”

„Gij hebt zeker ook geene reden daartoe.”

„Neen, waarachtig niet! ik drijf een eerlijken handel. Ik had nu te

Douglas op het eiland Ean geladen, – heerlijke conjac – echte heisan en

souchong – Brabantsche kanten; indien gij iets daarvan noodig mocht

hebben, wij hebben heden nacht een honderd vaatjes aan wal gebracht.”

„Zeer vriendelijk, Mijnheer!” antwoordde Mannering; „maar ik ben op

reis, en kan dus voor het oogenblik niets van dat alles gebruiken.”

„Nu, dan groet ik u, want mijne bezigheden roepen mij; of wilt gij met

mij aan boord gaan en een slokje met mij drinken? Gij zult ook een zak

vol thee mede naar wal krijgen. Dirk Hatteraick verstaat zijn wereld

ook.”

Er was in dezen man eene mengeling van onbeschaamdheid, stoutmoedigheid

en argwanende vrees, welke zijn voorkomen onbeschrijfelijk

terugstootend maakte. Hij had de manieren van eenen boef, die weet dat

hij verdacht gehouden wordt, maar door eene gemaakte zorgeloosheid en

vrijmoedige vertrouwelijkheid dezen argwaan zoekt weg te nemen.

Mannering bedankte hem met een enkel woord voor zijne aangeboden

beleefdheden, en Hatteraick ging, na een drogen „goeden morgen,” met de

heidin naar het gedeelte van het oude slot, vanwaar hij eerst gekomen

was. Het waardige paar, even beminnelijk in voorkomen als

achtenswaardig door hun bedrijf, ging hier een smallen trap af, welke

naar het strand leidde en waarschijnlijk eens gediend had, om bij eene

belegering de bezetting van het kasteel te verzorgen. De zoogenaamde

kapitein ging hierop met twee mannen, die hem schenen te wachten, in

eene kleine boot; de heidin bleef aan den oever staan en sprak of zong

eenige woorden, die zij met hevige gebaren vergezelde.

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 6 / 75 题