„Kom, zie hier! Vertrouw uw eigen oog!
Verschrikkelijk dreigt een vijand uw bestaan.
Een booze geest loert achter uw planeet
Met woest gebaar. Wees op uw hoede!”
Schiller.
In het midden der zeventiende eeuw was het geloof aan sterrewichelarij
bijna algemeen; tegen het einde daarvan begon het te wankelen en werd
twijfelachtig, en in het begin der achttiende kreeg deze kunst algemeen
een’ slechten naam, en begon zelfs belachelijk te worden. Nochtans had
ze, zelfs onder de geleerden, nog altijd hare aanhangers. Ernstige,
geletterde mannen waren niet zeer geneigd, de berekeningen te laten
varen, welke, van hunne jeugd af, het hoofdvoorwerp van hunne studie
geweest waren, en nog minder om van de hoogte af te dalen, waarop het
vermeende vermogen, om door het raadplegen van hoogere invloeden en de
beweging der hemellichamen in de toekomst te zien, hen boven andere
menschen verheven had.
Onder diegenen, welke dit ingebeelde voorrecht met onwankelbare trouw
vasthielden, was een oud geestelijke, onder wiens toezicht Mannering
zijne jeugd doorgebracht had. Hij bedierf zich de oogen door het
beschouwen der sterren, en brak zich het hoofd met berekeningen over
hunne verschillende verbindingen.
Een gedeelte van de geestdrift des leermeesters werd natuurlijk aan
zijnen jongen kweekeling medegedeeld, en deze legde zich er een
tijdlang met ijver op toe, om zich de kunstmatige sterrekundige
berekeningen eigen te maken, zoodat menig meester hem, voor dat hij van
de ijdelheid dezer kunst overtuigd was, den lof van een voortreffelijk,
oordeelkundig leerling te zijn geschonken zou hebben.
Den volgenden morgen begon hij, zoodra het daagde, het lot van den
jongen erfgenaam van Ellangowan te berekenen. Hij volgde nauwkeurig
alle regelen der kunst, zoo wel om den schijn te bewaren, als uit eene
soort van nieuwsgierigheid, om te weten, of hij in deze ingebeelde
kunst nog ervaren was. Dien ten gevolge verdeelde hij het hemelgewelf
in twaalf huizen, plaatste de planeten daarin en rangschikte ze naar
het uur en de minuut der geboorte. Zonder onze lezers met de algemeene
voorspellingen, welke hieruit stelselmatig berekend hadden kunnen
worden, lastig te vallen, merken wij alleen aan, dat één teeken in de
gemaakte schets bijzonder de opmerkzaamheid van onzen sterrewichelaar
tot zich trok. Mars, welke in den top van het twaalfde huis heerschte,
dreigde den jonggeborene met gevangenschap of een spoedigen en
geweldigen dood, en toen Mannering zijne berekening vervolgde, om de
kracht van dit booze gesternte te bepalen, bleek het, dat drie
tijdperken bijzonder gevaarlijk zouden zijn, namelijk: zijn vijfde,
tiende en één en twintigste jaar.
Hierbij was nog eene omstandigheid merkwaardig. Mannering had namelijk
eens te voren, op verlangen van Sophia Wellwood, zijne geliefde, ene
soortgelijke zotternij begaan, en bij het stellen van hare geboorte had
hij gevonden, dat de invloed der planeten haar, in haar negen en
dertigste jaar, met dood of gevangenis bedreigde. Zij was nu achttien
jaar oud, zoodat, naar de uitkomst der beide berekeningen, haar, in
hetzelfde jaar, hetzelfde ongeluk dreigde, hetwelk aan het kind, dat in
dezen nacht geboren was, voorspeld werd. Verwonderd over deze zeldzame
overeenkomst, herhaalde Mannering zijne berekeningen, en vond telkens
dezelfde verrassende overeenkomst, ja eindelijk bleek het, dat zelfs de
maand en dag van het gevaarlijk tijdstip overeenstemden.
Men zal gereedelijk gelooven, dat wij aan deze omstandigheden geen
gewicht hechten. Maar het gebeurt dikwijls dat wij, door onze
ingeschapene zucht naar het wonderbare verleid, ons er opzettelijk op
toeleggen, om onze betere inzichten te misleiden. Of nu de gemelde
overeenkomst waarlijk één van die zeldzame toevallen was, welke tegen
alle gewone berekening wel eens plaats hebben, dan of Mannering,
verbijsterd door de ingewikkelde berekeningen, ongevoelig tweemaal
denzelfden draad gevolgd was om uit dezen doolhof te geraken, dan of
zijne verbeelding, door eene schijnbare overeenkomst misleid, hem de
gelijkheid der beide gevallen volkomener deed vinden dan ze inderdaad
was, – dat is onmogelijk te bepalen; maar zooveel is zeker, dat deze
omstandigheid een levendigen en onuitwischbaren indruk op zijn gemoed
naliet.
„Heeft de booze zijne hand in het spel?” sprak hij tot zich zelven, „om
zich er over te wreken, dat wij met eene kunst schertsen, welke van hem
haren oorsprong heet te ontleenen? Of hebben Bacon en Sir Thomas Browne
gelijk, als zij met anderen beweren, dat er in eene kunst- en
regelmatige sterrewichelarij iets waars is, en dat de invloed der
sterren niet geloochend mag worden, ofschoon de aanwending der kunst
door de bedriegers, welke daarmede hun spel spelen, zeer verdacht
geworden is?” – Een oogenblik van nadenken deed hem nochtans dit
gevoelen verwerpen, als eene dwaze gril, welke die geleerden alleen
bevestigd hadden, omdat zij niet op eens het algemeen vooroordeel van
hun tijd durfden aantasten, of, omdat zij zelven nog niet geheel vrij
waren van den aanstekelijken invloed van het heerschend bijgeloof. De
uitkomst van zijne berekeningen in deze beide gevallen maakte
intusschen zulk een onaangenamen indruk op zijn gemoed, dat hij, even
als Prospero [3], besloot, om zich nooit, in scherts, noch in ernst,
weder met de sterrewichelarij te bemoeien.
Hij overlegde langen tijd, wat hij den heer van Ellangowan van het
horosocop zijns eerstgeborenen zeggen zou; ten laatste besloot hij
echter hem alles openhartig mede te deelen, doch hem tevens de
ijdelheid en dwaasheid van de regels, welke hij bij zijne berekening
gevolgd had, aan te toonen. Met dit voornemen begaf hij zich op het
terras voor het oude slot.
Niet minder schoon dan bij het heldere maanlicht van den vorigen nacht,
waren de omstreken van Ellangowan in den glans van de morgenzon. Zelfs
in de maand November was het land nog bekoorlijk onder haren milden
invloed. Een steil, maar effen pad, voerde van het terras naar de nabij
gelegen hoogte, waarop de oude burcht lag. Deze bestond uit twee dikke
ronde torens, welke zich somber boven een lagen muur, die ze met
elkander verbond, verhieven, en den ruimen ingang beschermden, die door
een trotschen boog naar het binnenste slotplein leidde. Het
familiewapen was in hardsteen boven de poort uitgehouwen, waarin men
nog het noodige zag, om de valdeur neer te laten en de brug op te
halen. Een ruw hek, van dennenstammen aaneengespijkerd, was het eenige,
dat dezen eens zoo geduchten ingang verdedigde. Het plein voor het slot
leverde een heerlijk gezicht op.
De woeste streek, waardoor Mannering den vorigen dag gereisd was, werd
door eenige hoogten voor het oog verborgen, en eene rivier, die nu eens
zichtbaar was en dan weder tusschen hooge, boschrijke oevers verdween,
doorsneed het bevallig door heuvelen en dalen afgewisseld landschap.
Een dorpje, waarvan slechts de kerktoren en enkele huizen zichtbaar
waren, lag aan den oever der zee, bij de monding van den stroom. De
dalen schenen goed bebouwd te zijn, en de omheiningen, waardoor de
grond verdeeld was, liepen nu eens langs den voet der heuvelen en
slingerden dan tegen de hoogte op. Hoogerop lagen welige weiden, waarop
groote kudden horenvee, toen ter tijd de grootste rijkdom van deze
gewesten, graasden en met hun geloei het landschap verlevendigden. De
verder afgelegen hoogten hadden een ernstiger aanzien, en de
gezichteinder was begrensd door hooge, donkere bergen, die de
natuurlijke grenzen van het bebouwde land schenen te zijn en er een
eenzaam en afgelegen voorkomen aan gaven. De zeekust, welke Mannering
nu in hare geheele uitgestrektheid zag, was even schoon en afwisselend,
als het landgezicht. Hier en daar verhieven zich steile rotsen, veelal
met de overblijfsels van oude sloten, torens of bakens bedekt, welke,
volgens de overlevering, in elkanders gezicht gebouwd waren, om, bij
vijandelijke invallen of burgeroorlogen, tot wederzijdsche bescherming
of verdediging, door seinen gemeenschap met elkander te kunnen
onderhouden. Het slot Ellangowan was verreweg het aanzienlijkste en
uitgestrektste van deze oude burchten, en bevestigde, door grootte en
ligging, het hooge aanzien, dat de stichters, naar het volksverhaal,
eenmaal onder de hoofden en edelen van het land bezeten hadden. Op
andere plaatsen had de kust een bevalliger aanzien. Hier en daar staken
boschrijke landtongen in zee uit, of was de zacht hellende oever met
kleine baaien doorsneden.
Dit gezicht overtrof zoo zeer de verwachting, welke Mannering zich op
zijne reis den vorigen avond gemaakt had, dat het een diepen indruk op
hem maakte. Beneden hem lag het nieuwe huis, wel geen meesterstuk van
bouwkunst, maar de ligging er van was bekoorlijk. Hoe gelukkig, dacht
hij, zou het leven in zulk eene eenzaamheid voortsnellen! Hier de
treffende overblijfselen van oude grootheid en het geheime bewustzijn
van familie-trots, dat ze inboezemen, en daar zooveel hedendaagsche
netheid en gemak, dat iedere bescheiden wensch bevrediging kan vinden.
Hier, en hier met u, Sophia!
Wij zullen deze droomerijen van een verliefde niet verder voortzetten.
Mannering stond een oogenblik met over elkander geslagen armen, en
keerde toen naar het vervallen kasteel terug.
De ruwe pracht van het binnenplein beantwoordde volkomen aan het
grootsche uiterlijk. Aan de eene zijde was eene rij hooge en ruime
vensters, welke eens de groote zaal van het slot verlicht hadden; daar
tusschen stonden zware, gebeeldhouwde pilaren; aan de andere zijde
waren gebouwen van onderscheidene hoogte en ouderdom, doch zoo te zamen
gevoegd, dat zij een eenigszins harmonisch geheel uitmaakten. Deuren en
vensters waren met ruw verheven beeldwerk versierd, dat deels
onbeschadigd, deels gebroken, of met klimop en andere onder de
puinhoopen welig groeiende slingerplanten bedekt was. De tegenover den
ingang liggende zijde van het plein was voorheen ook door eene rij
gebouwen ingesloten geweest; doch dit gedeelte van het slot had, naar
men verhaalde, gedurende den burgerkrijg, onder Cromwell, zoo zeer door
het geschut geleden, dat er in de bouwvallen eene groote opening was,
waardoor Mannering de zee en een klein gewapend vaartuig, dat midden in
de baai lag, kon zien. Terwijl Mannering in de bouwvallen rondkeek, [4]
hoorde hij, in een vertrek aan de linkerzijde, de stem van de Heidin,
die hij den vorigen avond gezien had. Hij vond weldra eene opening,
waardoor hij haar ongezien waarnemen kon, en hare gestalte, hare
bezigheid en haar geheele toestand deden hem onwillekeurig aan eene
oude Sybille denken.
Zij zat op een gebroken hoeksteen in den hoek van een met steen
bevloerd vertrek, waar zij een plaatsje voor haar snorrend spinnewiel
schoon geveegd had. Een heldere zonnestraal viel door een hoog smal
venster op hare woeste gelaatstrekken en vreemde kleeding, en
verschafte haar licht bij haren arbeid. Diepe schemering heerschte in
het overige van het vertrek. Hare kleeding was de volkskleeding van de
geringe klasse in Schotland, eenigszins op Oostersche manier gewijzigd.
Zij spon een draad uit wol van driederlei kleur, zwart, wit en grauw,
en zong daarbij eenige woorden, welke als eene tooverspreuk luidden. Te
vergeefs trachtte Mannering alle woorden van haar gezang te verstaan,
en stelde toen naar eenige plaatsen, die hij duidelijk verstond, de
volgende navolging op, welke hij voor vrij getrouw hield:
Spint en draait! In ’s levens draad
Mengt zich dus ook goed en kwaad,
Hoop en vrees, in vrede en strijd,
Luide vreugde en treurigheid.
Wie den tooverdraad ook spint
Bij het worden van een kind,
Zie, hoe menig wiss’lend beeld
Flauw in ’t scheemrend schijnsel speelt!
Dwaasheên, woeste drift en wraak,
Lijden, volgende op vermaak,
Argwaan, wanhoop, vrees en kans
Zien wij in den tooverdans.
Zoo als ’t spinrad keert en wendt,
Wiss’len blijdschap en ellend’.
Spint en draait! in ’s levens draad
Mengt zich dus ook goed en kwaad.
Voor dat Mannering hiermede gereed was, had de Heidin haar werk gedaan
of was hare wol versponnen. Hierop wond zij het garen van de spil af en
mat de lengte er van, terwijl zij den draad over haren elleboog en
tusschen haren duim en voorsten vinger doorsloeg. Toen zij dit gedaan
had, mompelde zij in zich zelve: – „een streng, maar geen volle streng
– driemaal twintig jaren en tien, maar driemaal gebroken en driemaal
weder aangeknoopt; het zal een gelukkige knaap zijn, indien hij er
doorkomt!”
Juist wilde Mannering de waarzegster aanspreken, toen hij eene stem,
ruw als het geklots der golven, waartusschen zij klonk, tweemaal met
klimmend ongeduld hoorde roepen: „Meg, Meg Merrilies! Heidin,
tooverheks, duizend duivels!”
„Ik kom, ik kom, kapitein!” antwoordde zij, en na eenige oogenblikken
trad de ongeduldige bevelhebber, dien zij zoo antwoordde, door de
opening in de bouwvallen.
Hij was, naar het uiterlijk te oordeelen, een zeevaarder, niet meer dan
middelmatig groot, en zijn gelaat door wind en zeelucht gebronsd. Hij
was zeer gespierd en gedrongen van gestalte, zoodat hij buitengemeen
sterk scheen te zijn en in een gevecht volkomen bestand tegen iemand,
die veel grooter was dan hij. In zijne harde trekken zag men niets van
den zorgeloozen, vroolijken moed en ijdele nieuwsgierigheid, waardoor
de zeeman zich gewoonlijk aan wal onderscheidt. Dit zijn hoedanigheden,
welke zeker er toe bijdragen om den zeeman populair en in het
maatschappelijke leven een gewenschten gast te maken. Zijn moed en
onversaagdheid eischen eerbied, en de vreedzame landman gevoelt zich
soms daartegenover wellicht wat vernederd, – terwijl eerbied en
vernedering niet geschikt zijn om ingenomenheid aan te kweeken met
diegenen die ze inboezemen. Het zijn echter de jongensachtige grappen,
de opgewondene vroolijkheid en de zorgeloosheid van den zeeman, die
zijne meer afschrikkende karaktertrekken verzachten. Op het gelaat van
den man die zich nu vertoonde, was echter niets van dien aard te lezen.
Integendeel, een woeste en sombere blik verduisterde trekken, die ook
zonder dien alles behalve innemend en aangenaam zouden geweest zijn.
„Waar zijt gij toch, oude tooverkol!” riep hij met eene eenigszins
vreemde uitspraak, ofschoon volkomen goed Engelsch sprekende. „Donder
en bliksem! wij hebben reeds een goed half uur gewacht. Kom en zegen
het schip en onze reis, en wees zelve vervloekt, gij satansche heks!”
Op dit oogenblik werd hij Mannering gewaar, die nog op dezelfde plaats
stond, waar hij den tooverzang van de heidin beluisterd had, en zich
scheen te willen verschuilen, daar de hoek van den muur, waarachter hij
stond, hem bijna geheel verborg. De kapitein, zoo noemde hij zich
zelven, was een oogenblik bedremmeld en zweeg, tastte in den boezem,
alsof hij eenig wapen zocht, en riep toen: „Wat wilt gij, vriendje? gij
ligt misschien op de loer, niet waar?”
Vóór dat Mannering, verbaasd door de dreigende gebaren en onbeschaamde
toespraak, antwoorden kon, trad de heidin uit haar gewelf en naderde
den vreemdeling. De zeeman vroeg haar, op Mannering wijzende, zachtjes:
„Een loerende tolbediende, he?”
Zij antwoordde op denzelfden fluisterenden toon: „Schei uit met je
schelden! Ge hebt het geheel mis; hij is op het slot, een vreemd heer.”
Het donkere gezicht van den kapitein helderde nu op. „Goeden morgen,
Mijnheer!” zeide hij, „Ik hoor, dat gij een gast van mijn waarden
vriend Bertram zijt. Vergeef mij, ik hield u voor geheel iets anders.”
„En gij zijt waarschijnlijk de kapitein van dat schip in de baai?”
antwoordde Mannering.
„Zoo is het, Mijnheer! Ik ben Dirk Hatteraick, kapitein van het schip
de Juffer Hagenslapen, en zeer bekend op deze kust. Ik schaam mij noch
voor mijn naam, noch voor mijn schip, noch voor mijne lading.”
„Gij hebt zeker ook geene reden daartoe.”
„Neen, waarachtig niet! ik drijf een eerlijken handel. Ik had nu te
Douglas op het eiland Ean geladen, – heerlijke conjac – echte heisan en
souchong – Brabantsche kanten; indien gij iets daarvan noodig mocht
hebben, wij hebben heden nacht een honderd vaatjes aan wal gebracht.”
„Zeer vriendelijk, Mijnheer!” antwoordde Mannering; „maar ik ben op
reis, en kan dus voor het oogenblik niets van dat alles gebruiken.”
„Nu, dan groet ik u, want mijne bezigheden roepen mij; of wilt gij met
mij aan boord gaan en een slokje met mij drinken? Gij zult ook een zak
vol thee mede naar wal krijgen. Dirk Hatteraick verstaat zijn wereld
ook.”
Er was in dezen man eene mengeling van onbeschaamdheid, stoutmoedigheid
en argwanende vrees, welke zijn voorkomen onbeschrijfelijk
terugstootend maakte. Hij had de manieren van eenen boef, die weet dat
hij verdacht gehouden wordt, maar door eene gemaakte zorgeloosheid en
vrijmoedige vertrouwelijkheid dezen argwaan zoekt weg te nemen.
Mannering bedankte hem met een enkel woord voor zijne aangeboden
beleefdheden, en Hatteraick ging, na een drogen „goeden morgen,” met de
heidin naar het gedeelte van het oude slot, vanwaar hij eerst gekomen
was. Het waardige paar, even beminnelijk in voorkomen als
achtenswaardig door hun bedrijf, ging hier een smallen trap af, welke
naar het strand leidde en waarschijnlijk eens gediend had, om bij eene
belegering de bezetting van het kasteel te verzorgen. De zoogenaamde
kapitein ging hierop met twee mannen, die hem schenen te wachten, in
eene kleine boot; de heidin bleef aan den oever staan en sprak of zong
eenige woorden, die zij met hevige gebaren vergezelde.