„– Thans treedt de rechter op,
Met ronden buik, gevuld met vet kapuin,
Met strengen blik, met deftigen baard,
Met wijze taal, en lange woorden, –
En speelt zijn rol –”
Anonymus.
Toen mevrouw Bertram van Ellangowan zoo ver hersteld was, dat zij
vernemen mocht, wat er gedurende hare bevalling voorgevallen was, kwam
er, ook in haar vertrek, geen einde aan al de gesprekken over den
mooien jongen student uit Oxford, die het lot van den jongen heer uit
de sterren voorspeld had. De gestalte, de spraak en de manieren van den
vreemdeling werden nauwkeurig beschreven; zijn paard, de toom, het
zadel en de stijgbeugels werden niet met stilzwijgen voorbijgegaan. Dit
alles maakte diepen indruk op het gemoed van mevrouw Bertram, die in
hooge mate bijgeloovig was.
Zoodra zij het bed verlaten kon, was het haar eerste werk, een klein
fluweelen zakje te maken, om daarin de verzegelde voorspelling te
bewaren, welke haar gemaal haar gegeven had. Zij kon zich bijna niet
weerhouden van het zegel open te breken; maar hare bijgeloovigheid was
nog sterker dan hare nieuwsgierigheid en zij naaide dus het papier
tusschen twee stukken perkament, opdat het zegel toch vooral niet
beschadigd zou worden. Hierop werd het in het fluweelen zakje gestoken
en, als een bezweringsmiddel, om den hals van het kind gehangen, waar
het, op verlangen der moeder, blijven zou, tot het tijdstip gekomen
was, waarop zij hare nieuwsgierigheid bevredigen mocht.
De vader wenschte het zijne te doen, en zijnen zoon eene goede
opvoeding te verschaffen. Opdat het onderricht bij de eerste
ontwikkeling van het verstand aanstonds beginnen zou, verzocht hij
Sampson zijn ambt als dorpsschoolmeester op te geven en huisonderwijzer
te worden. Deze stemde hierin gaarne toe en woonde van nu af op het
slot, om voor een loon, waarmede een dienstbode nauwelijks tevreden zou
zijn geweest, den toekomstigen heer van Ellangowan alle geleerdheid
mede te deelen, welke hij bezat, alsmede alle bevalligheid en
beschaafdheid, welke hij waarlijk – niet bezat, maar welker gemis hij
ook nooit aan zich zelven ontdekt had. Door deze schikking verkreeg
Bertram bovendien nog het voorrecht van bestendig iemand bij zich te
hebben, die zijne verhalen geduldig aanhoorde, wanneer zij alleen
waren, en ten wiens koste hij schertsen kon, wanneer hij gezelschap bij
zich had.
Omstreeks vier jaren na dezen tijd ontstond er eene groote beweging in
het graafschap, waarin Ellangowan gelegen is.
Diegenen, die de teekenen des tijds nagingen, hadden sedert lang
begrepen, dat eene verandering van ministerie onvermijdelijk was, en
eindelijk na afwisselende vrees en hoop, na vele geruchten uit goede
bronnen en uit verkeerde bronnen en uit geenerlei bronnen, – nadat
eenige Clubs den eenen staatsman hemelhoog geprezen en de andere hem
uitgescholden hadden, – na veel reizen en trekken en praten en
schrijven en aanbiedingen om hulp en bijstand, viel de groote slag: het
bestaande Kabinet werd ontbonden en, zooals van zelf sprak, – ook het
Parlement. Sir Thomas Kittlecourt reisde, gelijk vele andere leden van
het ontbonden Parlement, met allen spoed naar zijn graafschap, om
stemmen te verkrijgen, maar werd niet zeer gunstig ontvangen. Hij was
een aanhanger van de voormalige bewindvoerders, en de vrienden van de
tegenwoordige hadden reeds met ijver gekuipt ten behoeve van iemand
anders, namelijk den heer John Scatherhead, die de beste jachthonden en
flinkste paarden in het graafschap hield. Onder hen, die de zijde der
nieuwe partij kozen, bevond zich ook de notaris Gilbert Glossin,
zaakwaarnemer van den heer van Ellangowan. Dezen braven man was door
het oude parlementslid zeker deze of gene gunst geweigerd, of, wat in
dit geval hetzelfde en tevens waarschijnlijker is, had alles verkregen,
waarop hij eenige aanspraak kon maken, en had dus alleen van de
tegenpartij nieuwe voordeelen te hopen. Glossin had eene gevestigde
stem op Ellangowan’s bezittingen en hij had besloten, den heer Bertram
ook eene stem te verschaffen, daar er geen twijfel was, welke zijde
deze in den strijd kiezen zoude. Hij weidde bij den heer van Ellangowan
zeer uit over het aanzien, dat het dezen schenken zou, wanneer hij aan
het hoofd van eene machtige partij in het strijdperk verscheen en
Bertram liet zich zonder moeite overtuigen. Glossin, uitgeleerd in
kunstgrepen, wist zoo vele stemmen op de eens zoo machtige heerlijkheid
Ellangowan te vestigen en zijne zaken zoo goed in te richten, dat hij
op den dag der stemming, aan het hoofd van tien stemgerechtigden over
wie hij beschikken kon, en welke hun stemrecht zoo goed of slecht
bewijzen konden als de meeste anderen, kon optreden. Deze machtige
versterking besliste den strijd. Ellangowan en zijn zaakwaarnemer
deelden de eer, doch het voordeel behield de laatste voor zich alleen.
Gilbert Glossin werd tot klerk bij het vredegerecht benoemd, en
Godfried Bertram had het genoegen, bij de eerste benoemingen, welke na
de bijeenkomst van het nieuwe Parlement plaats hadden, tot vrederechter
aangesteld te worden.
Nu had Bertram het hoogste doel bereikt, waarnaar zijne eerzucht
haakte. De moeite en verantwoordelijkheid, aan zijn post verbonden,
waren hem wel niet zeer aangenaam; maar hij meende, dat hij met recht
aanspraak op deze waardigheid kon maken, waarvan hij, alleen door
boosaardige afgunst, zoo lang verstoken gebleven was. „Dwazen moet men
geene wapenen in handen geven,” zegt een oud en waar Schotsch
spreekwoord; en inderdaad was Bertram van Ellangowan nauwelijks met de
rechterlijke macht, waarnaar hij zoo verlangd had, bekleed, of hij
begon ze eerder streng dan zacht uit te oefenen, en logenstrafte geheel
en al het gunstige denkbeeld, dat men, verleid door zijne vadzige
goedaardigheid, van hem opgevat had. Hij beschouwde den hem
aanvertrouwden post, in vollen ernst, als een blijk van de persoonlijke
gunst des Konings, en vergat hierbij geheel en al, dat hij het gemis
van die onderscheiding of eer voorheen enkel aan de lagen van
partijzucht had toegeschreven. Sampson moest met luider stem de
aanstellingsbrief voorlezen, en bij de eerste woorden: „Het heeft den
Koning behaagd, te benoemen –” riep Bertram met dankbare verrukking
uit: „Behaagd! de brave man! het kan hem onmogelijk meer behagen, dan
mij!”
Om nu zijne dankbaarheid niet bloot bij gevoelens en woorden te
bepalen, liet hij zijn nieuwgeboren ambtsijver vrijen loop en zocht,
door strenge en onvermoeide vervulling der nu op hem rustende plichten,
te bewijzen, dat hij de verkregene eer waardig was. „Nieuwe bezems
vegen schoon,” zegt een oud spreekwoord en ik zelf kan getuigen, dat
bij de aankomst van eene nieuwe werkmeid, de oude, huiszittende
spinnen, die met haar weefsel de onderste rijen mijner boekenplanken,
(voornamelijk rechtsgeleerdheid en theologie bevattende) hebben bedekt
onder de vreedzame regeering harer voorgangster, spoedig op de vlucht
gejaagd worden door de nieuw aangekomen dienstbare. Zoo ging het ook
met den heer van Ellangowan. Zonder eenig medelijden begon hij zijne
rechterlijke hervormingen ten koste van verscheidene landloopers en
gauwdieven, die sedert eene halve eeuw ongestoord in zijne nabuurschap
geleefd hadden. Als een tweede Hertog Humphrey deed hij wonderen, en
door middel van den stok zijner dienaren leerde hij menigen kreupele
loopen, menigen blinde zien en menigen lamme werken. Hij ontdekte wild-
en ooftdieven; en de goedkeuring van het gerechtshof, benevens de
roemvolle naam van een ijverig ambtenaar, was zijne belooning. Doch al
dit goede, dat algemeen erkend werd, had ook zijne kwade zijde.
Verouderde, oogluikend toegelatene misbruiken moeten niet zonder
voorzichtigheid uitgeroeid worden. De ijver van onzen waardigen vriend
bracht vele lieden, wier neiging tot lediggang en bedelarij hij door
zijne eigene onverschilligheid zoo lang aangemoedigd had, dat het kwaad
onherstelbaar was, of welke, door wezenlijke ongeschiktheid tot werken,
volgens hunne eigene spreekwijze, „geschikte voorwerpen voor de
liefdadigheid van alle welgezinde Christenen” waren, ìn groote
verlegenheid. De alombekende bedelaar, die twintig jaren lang geregeld
in de nabuurschap rondgegaan was, en eerder als een nederig vriend dan
als een voorwerp van liefdadigheid ontvangen was, werd naar het naburig
werkhuis gezonden. Hetzelfde lot wedervoer de oude gebrekkige vrouw,
die reeds langen tijd op een kruiwagen van huis tot huis rondgereden
werd. De halfwijze, oolijke, doove Hans, die sedert een groot gedeelte
van eene eeuw de dorpsjeugd tot tijdverdrijf verstrekt had, moest naar
het tuchthuis wandelen, waar hij van de frissche buitenlucht, waaraan
hij zoo gewoon was, verstoken, begon te sukkelen en binnen zes maanden
stierf. De oude zeeman, die sedert vele jaren de dienstboden in alle
keukens met zijne vroolijke matrozenliederen vermaakt had, werd, alleen
omdat hij een merkbaar Iersch dialect had, uit het graafschap
verbannen. Ja, zelfs het jaarlijksche rondgaan der marskramers werd, in
zijn blinden ijver voor de handhaving der politie, verboden.
Dit alles bleef niet onopgemerkt en werd door velen gelaakt. Wij zijn
niet van hout of steen, en dingen, waaraan wij door neiging of gewoonte
gehecht zijn, kunnen niet gelijk mos of klimop van een boom weggerukt
worden, zonder dat wij het gemis gevoelen. De pachtersvrouw miste haar
gewoon nieuws en misschien ook wel de zelfvoldoening, waarmede zij aan
den bedelaar, die haar het nieuws vertelde, eene handvol havermeel gaf.
In iedere hut scheen iets te ontbreken, toen de kleine handel, welke de
rondreizende marskramers dreven, ophield. De kinderen misten hunne
snoeperijen en speelgoed; de meisjes hadden gebrek aan spelden, aan
linten, kammen en liedjes, en de vrouwen konden de eieren niet meer
tegen zout, snuif of tabak verruilen. Al deze omstandigheden
verschaften den ijverigen heer van Ellangowan een slechten naam onder
de landlieden, en zulks te meer, omdat hij voorheen zoo bemind bij hen
geweest was. Zelfs zijne voorouders moesten dienen, om hem te
veroordeelen. Wat andere heeren, zoo als een Greenside, of een
Barnville, mochten verkiezen te doen, – dat kwam er niet op aan; dat
waren vreemdelingen; maar Ellangowan! het was een naam, die sedert
onheugelijke tijden onder hen bekend was: hoe kon die de arme lieden
toch zoo kwellen! Zijn grootvader werd „de booze heer” genoemd; maar,
ofschoon die erg genoeg was, wanneer hij in slecht gezelschap kwam of
te veel gedronken had, zóó zou hij toch nooit gehandeld hebben! Neen,
neen, in zijn tijd rookten de schoorsteenen in het oude slot als
smeltovens, en er waren evenveel arme lieden bij de deur en op het
slotplein, die zich met het overschot verzadigden, als aanzienlijken in
de eetzaal. En op ieder kersfeest gaf zijne gemalin aan alle armen in
de nabuurschap zilveren stuivers, ter eere van de twaalf apostelen. Dat
heette toen papisterij; maar de groote heeren mochten ondertusschen wel
een voorbeeld aan zulke paapschen nemen. Zij hielpen de arme lieden
anders, dan door hun enkel des zondags eene kleine gift te schenken, en
hen de overige zes dagen van de week te kwellen en te onderdrukken.
Zulke gesprekken hoorde men bij eene kan dunbier in iedere
dorpsherberg, in den omtrek van een paar uren van Ellangowan, zoover
zich het grondgebied uitstrekte, waarin onze vriend, de vrederechter
Godfried Bertram, als het grootste licht schitterde. Maar nog meer
werden de booze tongen in beweging gebracht, door het verdrijven van
een troep Heidenen, die sedert lange jaren hun hoofdzetel op het
grondgebied van Ellangowan gehad hadden, en van wie ééne reeds
eenigszins aan den lezer bekend is.