„De geschiedenis van alle eeuwen
Is rijk aan vreemde voorteekenen
Van groote omkeeringen,
Door Sterrewichelaars voorzien.”
Hudibras.
De gastheer onderrichtte Mannering van de omstandigheden, waardoor de
vrouw des huizes belet werd hem welkom te heeten, en die gedeeltelijk
strekken moesten als eene verontschuldiging voor een gebrekkig onthaal,
dat hare zorgvuldigheid wel voorgekomen zou hebben, maar ook als
aanleiding diende, om hen nog eene fijne flesch voór te zetten.
„Ik kan niet slapen,” zei de huisheer met die onrust, welke een vader
in zulke omstandigheden natuurlijk eigen is, „voor dat ik weet, dat
alles goed afgeloopen is. Indien gij niet al te slaperig zijt,
Mijnheer, en mij en dominé Sampson de eer bewijzen wilt bij ons te
blijven, zullen wij, hoop ik, u niet zeer lang ophouden. De vroedvrouw
is zeer bekwaam en zoekt haars gelijke. Er was eens een meisje, dat
haar ook noodig had, – zij woonde hier in den omtrek. – Waarom schudt
gij zoo het hoofd en zucht ge zoo Sampson? – Ik weet zeker, dat de
kerkboete behoorlijk betaald is, en wat kan men meer doen? – Het was
vóor dat zij gehuwd was, en de man, die haar naderhand getrouwd heeft,
acht haar om dat ongeluk niets minder. – Zij woont te Annan, aan de
kust, en ik zeg u, mijnheer Mannering, men kan geen braver,
ordentelijker paar zien. Zij heeft zes lieve kinderen, en de kleine
krullebol Godfried – dat ìs de oudste, die, zoo als men wel zeggen kon,
zonder verlof in de wereld gekomen is – is aan boord van een tolschip.
Ik heb op het tolschip ook eenen neef, de commissaris Bertram: hij
kreeg dezen post in den grooten verkiezingsstrijd, waarvan ge gehoord
zult hebben, daar men er over appelleerde bij het Lagerhuis, – en ik
zou mijne stem voor den heer van Balluddery gegeven hebben; – maar mijn
vader, ziet ge, was Jacobiet, en onder de vragers veel kennissen, en
wilde nooit den eed afleggen van getrouwheid aan het hedendaagsche
bestuur, – en hoe het gebeurd is, weet ik niet; maar zij schrapten mij
steeds van de kiezerslijst, hoewel mijn rentmeester eene geldige stem
uitbrengen mocht, voor den ouden Sir Thomas Cittlecourt. – Maar, om
terug te komen tot hetgeen ik zeggen wilde, Luckie Hoevation is zeer
vlug, – want dit meisje – –”
Hier werd de lange verwarde geschiedenis, welke de verhaler dus begon,
afgebroken door de luide stem van iemand, die zingend de keukentrap
opkwam. De hooge tonen waren te schel voor eene mannenstem: de lagere
schenen te zwaar voor eene vrouwenstem te zijn. De woorden, welke
Mannering onderscheiden kon, luidden dus:
Tijdstip, dat vaak zorgen kost!
Is de huisvrouw nu verlost?
’t Zij ’t een knaap of meisjen is,
Slaat een kruis en zingt de mis.
„Het is Meg Merrilies, de waarzegster, zoo waar ik een arme zondaar
ben,” zei Bertram.
Sampson, die met de beenen kruiselings over elkander gezeten had,
loosde een diepen zucht, trok zijn langen voet, welke in zijne vorige
stelling uitgestrekt was, naar zich toe, plaatste dien recht op den
grond en legde het andere been er over, terwijl hij dikke wolken
tabaksrook uitblies. „Waarom zucht gij, dominé? Ik weet zeker, dat
Meg’s gezang geen kwaad zal doen.”
„Ook geen goed,” antwoordde dominé Sampson met eene onaangename,
schorre stem, die volkomen bij zijne lompe gestalte paste. Dit waren de
eerste woorden, welke Mannering van hem hoorde, en daar hij er niet
zonder nieuwsgierigheid op gewacht had, of dit etende, drinkende,
bewegende en rookende beeld eindelijk ook spreken zou, vermaakten hem
de ruwe tonen, welke het uitte, niet weinig.
Op dit oogenblik werd de deur geopend, en Meg Merrilies trad binnen.
Mannering stond verstomd bij hare verschijning. Zij was volle zes voet
groot, droeg een mansoverrok over hare andere kleederen, welke, behalve
de rokken, meer op eene mannen- dan vrouwenkleeding geleek, en had
eenen dikken doornstok in de hand. De verwarde zwarte haren hingen, als
de slangen van een Medusa-hoofd, van onder eene oudmodische muts en
verhoogden de zonderlinge uitdrukking in hare scherpe, door de zon
verbrande gelaatstrekken, terwijl het woeste rollen harer oogen eene
werkelijke of gekunstelde waanzinnigheid scheen aan te duiden.
„Maar, Ellangowan!” zeide zij; „het zoude iets fraais geweest zijn, als
de vrouw verlost was, terwijl ik er op de jaarmarkt van Drumshourloch
niets van geweten of gedroomd had! Wie zou de geesten verdrijven? wie
de kaboutermannetjes en heksen van den lieven knaap, dien God zegene,
verjagen? of wie de tooverspreuk van de heilige Colmia voor hem
opzeggen?” En zonder op een antwoord te wachten, begon zij te zingen:
„Klaver, ijzerkruid en dill’
Hind’ren heksen in haar’ wil;
Hem is ’t wel, die vasten mag
Op sint-Andries heil’gen dag.
Sint-Brigitta en haar schat,
Heil’ge Colma en haar kat
En sint-Michel met zijn zwaard
Houden ’t huis voor ramp bewaard.
Deze tooverspreuk zong zij op haar ruwe wijze, met eene sterke, schelle
stem, en maakte daarbij drie, zulke hooge en vlugge sprongen, dat zij
bijna aan den zolder van de kamer kwam. Hierop zeide zij: „zult gij mij
nu een glas brandewijn laten geven, edele heer?”
„Dat zult gij hebben, Meg! – Ga nu daar bij de deur zitten, en verhaal
ons, wat nieuws gij op de kermis te Drumshourloch gehoord hebt.”
„Waarlijk, Ellangowan, daar hadt gij en uws gelijken moeten wezen; er
waren, buiten mij, vele mooie meisjes en geen mensch om haar een kermis
te geven.”
„En hoeveel Zigeuners zijn er in de gevangenis gebracht?”
„Niet meer dan drie, heer! want er waren niet meer dan drie, buiten
mij, en ik ben hun uit den weg gegaan; want met twistzieke menschen is
het niet goed te doen te hebben. En Dunbog heeft den rooden Rotten en
Hans Young van zijn erf gejaagd. Vervloekt zij zijn geslacht! Hij is
geen edelman en heeft geen droppel edel bloed. Waarom een paar armen
schelmen te misgunnen, dat zij in een vervallen gebouw onder dak zoeken
te komen, of eenige distels aan den weg zoeken en een dorren berkenboom
omhakken, om hun eten te koken? Maar er is een God hier boven. – En wij
zullen zien of niet spoedig, eer de morgen daagt, de roode haan op zijn
dak gezet wordt.”
„Stil, Meg, stil! dat is gevaarlijke taal.”
„Wat bedoelt zij daarmede?” vroeg Mannering zacht aan Sampson.
„Brandstichten,” antwoordde de woordkarige dominé.
„Zeg mij toch, bid ik u, wat of wie is zij?”
„Eene lichtekooi, eene dievegge, eene heks en waarzegster.”
„O waarlijk, heer,” ging Meg voort, „slechts voor u en uws gelijken kan
men zijn hart openen. Hoor! Dunbog is zoo min een edelman, als de
metselaar, die het fraaie huis in het dorp bouwt. Maar wie u gelijkt,
is van eeuwen-ouden adel, en jaagt geene arme lieden van zijn erf, als
of het dolle honden waren, en niemand van ons volk zou iets van u
aanroeren, al hadt gij even veel kapuinen, als er bladen aan den boom
zijn. En nu moet één uwer zijn horlogie op de tafel leggen, en mij de
juiste minuut zeggen, waarop het kind geboren wordt, en ik zal zijn lot
voorspellen.”
„Wij zullen uwe hulp niet noodig hebben, Meg! hier is een student uit
Oxford, die verstaat het waarzeggen veel beter dan gij; hij doet het
uit de sterren.”
„Zonder twijfel, mijnheer,” antwoordde Mannering, de grap van zijn
gastheer vattende; „ik zal zijn lot berekenen naar de regelen der
tripliciteiten, welke Pythagoras, Hippocrates, Diokles en Avicenna
geleerd hebben; of ik zal beginnen ab hora questionis, zoo als Haly,
Messahala, Canwehis en Guido Bonatus aanbevelen.”
Eene der eigenschappen, waarvoor Sampson het meest bij den heer Bertram
in gunst stond, was, dat men hem voor den gek zocht te houden, hoe lomp
men dat ook mocht aanleggen, zoo dat de landjonker in den
onergdenkenden dominé het beste voorwerp voor zijne zoutelooze
spotternijen vond. ’t Is waar, dat hij nooit daarbij lachte of
medelachte, wanneer men het over zijne onnoozelheid uitschaterde; ja
men zegt, dat hij maar eens in zijn leven lachte, en dat zijne
huiswaardin bij deze merkwaardige gelegenheid, deels door verwondering
over de gebeurtenis zelve, deels door schrik over de ijselijke wijze,
waarop hij zijn gezicht vertrok, een miskraam kreeg. Bemerkte hij
weleens, dat men schertste, dan maakte dit verder geen indruk op hem,
dan dat hij langzaam zeide: „Wonderlijk!” of: „zeer koddig!” zonder
echter een gezicht daarbij te vertrekken.
Bij deze gelegenheid vestigde Sampson een verbaasden, verschrikten blik
op den jongen Sterrewichelaar, staarde hem aan en scheen te twijfelen,
of hij zijn antwoord wel verstaan had.
„Ik vrees, mijnheer,” zeide Mannering, zich tot Sampson wendende, „dat
gij een van die ongelukkige menschen zijt, wier zwak gezicht niet in
staat is in de hemelsche sferen door te dringen, om daarin de besluiten
des hemels uit de verte te lezen, en die uit dien hoofde het hart, uit
vooroordeel en dwaling, voor overtuiging sluiten.”
„Inderdaad,” zeide Sampson, „ik ben met Sir Izaäk Newton, ridder en
voormaals Koninklijke muntmeester, van gevoelen, dat de voorgewende
kunst der sterrewichelarij ijdel, dwaas en onbevredigend is.” En
hiermede sloot hij de lippen.
„Het doet mij waarlijk leed,” hernam de reiziger, „dat zulk een geleerd
en ernstig man, als gij zijt, in eene zoo vreemde verblinding en
dwaling verkeert. Wilt gij den korten, nieuwen en, als ik het zeggen
mag, inlandschen naam van Newton tegen het gezag der geleerde, groote
namen van een Bonatus, een Ptolomeus, Haly, Eztler, Diterick, Harfurt,
Taustettor, Agrippa, Duretus, Maginis, Origen en Argol overstellen?
Erkennen Christenen en Heidenen, Joden en ongeloovigen, dichters en
wijsgeeren niet algemeen den invloed der sterren?”
„Communis error, eene algemeene dwaling!” antwoordde de onbuigzame
Sampson.
„Niet alzoo,” hernam de jonge Engelschman; „het is een algemeen en
gegrond geloof.”
„Het is de toevlucht van schelmen en bedriegers,” zeide Sampson.
„Abusus non tollet usum; om misbruik mag het goede gebruik van eene
zaak niet afgeschaft worden.”
Gedurende deze woordenwisseling geleek Ellangowan eenigermate op eene
snip, die in een strik gevangen wordt. Hij zag de beide sprekers
beurtelings aan, en de ernst, waarmede Mannering zijne tegenpartij
aanviel, en de geleerdheid, welke hij hierbij ten toon spreidde, deden
hem bijna gelooven, dat het gemeend was. Meg, de heidin, in verwarring
gebracht door eene taal, welke nog geheimzinniger luidde dan hare
eigene, vestigde hare verbaasde blikken op den Sterrewichelaar.
Mannering maakte gebruik van zijn voordeel, en kraamde alle geleerde
kunsttermen uit, welke zijn gelukkig geheugen hem ingaf, en waarmede
hij in zijne vroege jeugd, door omstandigheden, die wij in het vervolg
wel zullen vernemen, bekend geworden was.
Teekenen en planeten, zeshoekig, vierhoekig of driehoekig in conjunctie
of oppositie, hemelhuizen met horens, uren en minuten, Almuten,
Almochoden, Anahibazon, Catahibazon en duizend andere uitdrukkingen van
gelijken klank en beteekenis, regenden op den onversaagden dominé,
wiens hardnekkig ongeloof hem tegen de aanvallen van dezen woedenden
storm beveiligde.
Eindelijk werd dit gesprek afgebroken door het heugelijk bericht, dat
de dame haren gemaal een welgeschapen zoon geschonken had en dat zij
zeer welvarend was. Bertram haastte zich naar zijne vrouw; Meg
Merrilies ging naar de keuken, om zich daar te goed te doen aan
kraamvrouw-bier, [2] en Mannering verzocht met behoorlijke deftigheid
den dominé, om hem op eene plaats te brengen, waar hij de sterren
beschouwen kon, nadat hij op zijn horologie gezien en met veel
nauwkeurigheid het uur en de minuut van de geboorte opgeteekend had.
Zonder een woord te antwoorden, stond de schoolmeester op en opende
eene glazendeur, welke naar een terras leidde, dat gemeenschap had met
de hoogte, waarop de bouwvallen van het oude slot lagen. De opkomende
wind had de wolken, welke vroeger den hemel bedekt hadden, verdreven.
De volle maan stond hoog en alle sterren prijkten in onbewolkten
luister. Het tooneel, dat hij bij hun licht zag, was voor hem uiterst
onverwacht en verrassend.
Wij hebben vroeger reeds gemeld, dat Mannering bij het einde van zijne
reis de zee genaderd was, zonder te weten, hoe nabij. Hij zag nu, dat
de bouwvallen van Ellangowan op eene vooruitspringende rots, welke de
eene zijde van eene kleine stille baai vormde, lagen. Het nieuwe gebouw
lag iets lager, en de grond daarachter was eene groene vlakte, welke
met natuurlijke terrassen, waarop eenige oude boomen stonden, naar den
zandigen oever afdaalden. De tegenovergestelde oever van de baai was
een afhellend voorgebergte, met kreupelboschjes bedekt, dat op dien
gelukkigen oever bijna tot den rand van de zee groeide. Eene
visschershut was zichtbaar onder de boomen. Zelfs op dit uur van den
nacht zag men nog lichten aan den oever, waar waarschijnlijk het schip
van een sluikhandelaar, dat in de baai lag, gelost werd. Zoodra het
licht door de glazendeur van het huis zichtbaar werd, werd er van het
schip naar den oever geroepen: „opgepast, lichten uit!” en
oogenblikkelijk verdwenen alle lichten.
Het was één uur na middernacht. Een bekoorlijk uitzicht vertoonde zich
aan onzen reiziger. De oude grijze torens van het vervallen slot, deels
ingestort, deels onbeschadigd, welke hier de kenmerken van den
knagenden tand des tijds droegen en dáar gedeeltelijk met klimop bedekt
waren, verhieven zich op den rand van de donkere rots, welke Mannering
aan zijne rechterhand zag. Vóór hem lag de stille baai, welker kleine
kabbelende golfjes in de stralen der heldere maan schitterden, zachtjes
voortrolden, en plassende tegen het zilverwitte strand braken. Links
spiegelde zich het bosch, dat zich tot ver in zee uitstrekte, bij het
maanlicht in hare golvende oppervlakte en vertoonde die afwisselingen
van licht en donker, die bekoorlijke verbinding van opene en dichte
plaatsen, waarop het oog zoo gaarne rust, verrukt over hetgeen men ziet
en begeerig om dieper in het geheim van het boschrijke landschap door
te dringen. Boven hem rolden de planeten door haar eigen lichtkring,
van de kleinere of meer verwijderde sterren onderscheiden. Zoo ver kan
de verbeelding zelfs hen, die haar opzettelijk opgewekt hebben,
wegslepen, dat Mannering, terwijl hij deze schitterende hemellichten
bewonderde, bijna geneigd was, aan den invloed te gelooven, welken het
bijgeloof hun op de menschelijke lotgevallen toeschrijft. Maar
Mannering was jong; hij beminde, en misschien was hij met de gevoelens
bezield, welke een der nieuwere dichters in de volgende regels
uitdrukt:
De Fabel is de wereld, ’t vaderland,
De woning en geboorteplaats der Liefde.
Met vreugde huist ze in ’t grijze rijk der Feên,
Der Talismannen en der hoog’re Geesten,
En graag gelooft ze aan Godheên en haar kracht,
Omdat ze godlijk is. – De schoone vormen
Der oude dichters, in de menschlijkheid
Verwezenlijkt der allervroegste goden,
Die ’t mosrijk dal bewoonden of den top
Eens groenen bergs, of huisden in het lommer
Eens heil’gen wouds, bij ’t kabbelend geruisch
Van beek en bron, – deze alle zijn verdwenen.
Men leeft niet meer in dat getrouw geloof.
Nochtans behoeft het hart eene and’re sprake,
En ’t oude instinct brengt de oude namen weêr.
Thans zijn ze daar, in gindsche sterrenwereld,
De Geesten en de Goden, die voorheen
Zoo vriendelijk verkeerden met de menschen,
En stralen van het hooge sterrendak
Hun’ invloed steeds nog op verliefden neder.
Ja heden nog is ’t Jupiter, van wien
Al ’t groote komt, gelijk van Venus ’t schoone.
Deze mijmeringen maakten spoedig plaats voor andere. „Ach!” dacht hij,
„mijn goede oude leermeester, die zich zoo gaarne in twisten over den
invloed der sterren verdiepte, zou dit tooneel met andere oogen
beschouwd en in allen ernst getracht hebben, uit den stand dezer
hemelsche lichten hun waarschijnlijken invloed op het lot van het
pasgeboren kind te ontdekken, alsof de loop der sterren de werking der
goddelijke Voorzienigheid opschorten, of ten minste even veel macht,
als deze, hebben kon! Maar, zacht rustte zijn asch! Hij heeft mij
genoeg van zijne kennis medegedeeld, om, des noods, een kunstmatigen
horoscoop te trekken. Welaan, laat ik er mede beginnen! Nu schreef
Mannering den stand der hoofdplaneten op, en keerde weder in huis. Zijn
gastheer ontmoette hem in de huiskamer, verhaalde hem zeer opgeruimd,
dat hij vader van een gezonden knaap geworden was, en scheen zeer
geneigd, zich bij eene flesch wijn nog eene poos met hem over zijn
geluk te onderhouden. Nochtans nam hij Mannering’s verontschuldiging
wegens vermoeidheid aan, en geleidde zijn gast naar zijne slaapkamer.