– Hij sluipt binnen
En ontrooft me van mijn erfdeelen
Een groot gedeelte. –
Shakespeare.
Het gezelschap in de woonkamer te Ellangowan bestond uit den heer
zelven en een man, die er als een dorpsschoolmeester of koster uitzag;
want zijn uiterlijk was te armoedig, om te doen veronderstellen dat het
de predikant van het dorp was, die zich bij een bezoek op het slot
zeker beter gekleed zou hebben.
De heer was een landedelman van den tweeden rang, dien men zoo dikwerf
op het platte land vindt, doch behoorde niet tot hen, die Fielding als
nuttelooze wildverteerders schildert: want de lust tot de jacht geeft
toch eene zekere werkzaamheid van hart te kennen, die de goede Bertram
verloren had, indien hij ze ooit bezeten had. Goedaardige zorgeloosheid
was de eenige sprekende uitdrukking op zijne gelaatstrekken, welke
anders eerder fraai, dan onaangenaam waren; met één woord, zijn gelaat
verkondigde die ledigheid van gemoed, welke zijn geheele leven
kenschetste. De lezer moge ondertusschen een oog op de omstandigheden
en het leven van den man slaan, terwijl hij eene lange redevoering
houdt over het nut en het gemak van het omwinden der stijgbeugels met
stroo, wanneer men in een kouden nacht te paard rijdt.
Godfried Bertram van Ellangowan had vele voorouders, maar weinig
inkomsten, gelijk zoo menig landedelman van dien tijd. De rij zijner
voorouders strekte zich ver uit tot in de aloude eeuwen der
onafhankelijkheid van het land onder Gaelen, en men vond aan zijnen
stamboom; behalve de Christelijke namen van Godfried, Gilbert, Roland
enz., uit den tijd der kruistochten, ook nog de Heidensche vruchten van
eenen veel ouderen tijd als Arth, Knarth, Donagild en Hanlong. Zij
waren inderdaad voorheen de onrustige gebieders over een woest, doch
zeer uitgestrekt grondgebied en de hoofden van eenen talrijken stam,
met name Mac-Dingawaie, ofschoon zij later den Noormandischen naam van
Bertram aannamen. Zij hadden oorlogen begonnen, oproeren gesticht,
waren geslagen, onthoofd en opgehangen, gelijk het voor eenige eeuwen
een aanzienlijk geslacht betaamde. Langzamerhand verloren zij echter
hun aanzien en de Heeren van Ellangowan, eens de hoofden en aanleggers
van samenzweringen, daalden in het vervolg tot ondergeschikte
deelnemers daarin. Hunne ongelukkigste ondernemingen van dezen aard
hadden plaats in de zeventiende eeuw, toen een heillooze geest van
tegenspraak hen beheerschte, en zij steeds met de bovendrijvende partij
overhoop lagen. In tegenstelling met den uit het lied bekenden
predikant van Bray, die zich steeds bij de machthebbenden aansloot,
trokken zij standvastig partij voor de overwonnenen, en even als de
geestelijke, vonden zij loon naar verdienste. Allan Bertram, die ten
tijde van Karel I leefde, en een standvastige koningsvriend was, zoo
als Sir Robert Douglas meldt in zijne geschiedenis der Schotsche
Baronnen, onder het hoofd Ellangowan, verbond zich met den dapperen
Montrose en andere ijverige, getrouwe vaderlandsvrienden, en onderging
groote verliezen. De Koning verhief hem, wel is waar, tot den
ridderstand, maar hij werd door het Parlement zwaar beboet in 1642, en
in 1648 werd hij weder als kwalijkgezind vervolgd. De helft van zijne
bezittingen ging op deze wijze verloren. Zijn zoon, Dennis Bertram,
redde de overblijfsels van het stamgoed door een huwelijk met de
dochter van eenen machtigen dweeper, welke medelid van den staatsraad
was, doch tot zijn ongeluk hechtte hij even zeer aan hare
grondbeginsels, als aan hare persoonlijke bekoorlijkheden. De reeds
aangehaalde schrijver beschrijft zijn karakter als volgt: „Hij was
iemand van uitstekende bekwaamheden en groote vastberadenheid, en werd
om die reden door de westelijke graafschappen tot lid van de Commissie
van Edelen en Heeren gekozen, om hunne grieven voor de invallen der
Hooglanders in 1678 aan den geheimen Raad bloot te leggen. Door zich
hiermede te belasten, haalde hij zich eene geldboete op den hals,
waardoor hij zich genoodzaakt zag, de helft van zijn vaderlijk erfgoed
te verpanden. Door spaarzaamheid had hij dit verlies wel weder te boven
kunnen komen; maar bij het uitbersten van den opstand onder den Hertog
van Argyle kwam Bertram weder onder verdenking, werd gevangen genomen,
naar het kasteel Dunnotar vervoerd aan de zeekust bij Mearrus, en
verloor het leven bij eene poging, om uit den onderaardschen kerker,
„de whigs kelder,” genoemd, te ontvluchten, waar hij met een tachtigtal
partijgangers opgesloten was. De houder van den pandbrief deed zijn
recht gelden, en beroofde dus de familie weder van een aanzienlijk deel
van het stamgoed. De jonge erfgenaam van Ellangowan, Donohoe Bertram,
die een Ierschen doopnaam voerde en met wat Iersche drift bezield was,
aanvaardde het verkleinde erfdeel. Hij wierp den kapelaan zijner
moeder, den eerwaarden heer Aron Mackriar, het huis uit, omdat zij,
gelijk het verhaal luidt, over eene melkmeid, naar wier gunst zij
beiden dongen, in twist geraakt waren; hij maakte zich dagelijks bij
het drinken op het welzijn van den Koning, den Staatsraad en de
Bisschoppen, aan dronkenschap schuldig, braste met den heer van Lagg,
met Theophilus Oglethorpe en sir James Turner, en steeg eindedijk te
paard, vestigde zich te Killikrankie bij Claverhouse. In de
schermutseling te Dunkeld, in 1689, werd hij door een Cameroniër met
eenen zilveren knoop doodgeschoten, omdat men hem algemeen schootvrij
hield voor lood en ijzer. Zijn graf wordt nog altijd „het graf van den
boozen heer” genoemd.
Zijn zoon Lodewijk bezat meer verstand, dan in dit geslacht erfelijk
schijnt geweest te zijn. Hij zocht te behouden, wat hij van het
stamgoed geërfd had, want de uitspattingen van Donohoe en nieuwe
geldboeten en verbeurdverklaringen hadden weer de bezittingen
verminderd, en ofschoon hij, door het noodlot medegesleept, dat
vijandig over de heeren van Ellangowan heerschte, zich in de
staatkundige verdeeldheden mengde, had hij de voorzorg genomen, eer hij
in 1715 met Lord Kenmore naar de wapens greep, om zijne landerijen aan
anderen over te dragen, om te voorkomen, dat alles verbeurd zou worden,
als het den Graaf van Mar niet gelukte de Protestantsche dynastie te
verdrijven. Maar dit was slechts aan Scylla ontgaan, om in Charybdis te
vallen; – want hij kon alleen weêr bezit krijgen van zijn eigendom na
een kostbaar rechtsgeding, dat nogmaals aanzienlijke verkleining van
zijn vermogen medesleepte. Hij was echter een vastberaden man en
verkocht een gedeelte van zijne landerijen, verliet het oude slot,
waarin zijne voorouders gewoond hadden, en bouwde, van een gedeelte van
deze eerwaardige puinhoopen, een nieuw huis van drie verdiepingen,
welks voorgevel er als eene grenadiersmuts uitzag, met éen rond
venster, als het oog van een Cykloop in het midden, twee ramen van
weêrskanten en eene deur daartusschen, die toegang verleende tot een
huiskamer en een zaal, die beiden even slecht verlicht waren.
Dit was het nieuwe huis van Ellangowan, waar wij onzen held verlieten,
die zich wellicht intusschen beter vermaakt heeft dan de lezer, en
hierheen had zich Lodewijk Bertram teruggetrokken, bezield met allerlei
plannen voor het herstellen der verliezen door zijne familie geleden.
Hij pachtte eenige landerijen van naburige grondeigenaars, kocht en
verkocht rundvee uit het Hoogland en schapen van Cheviot, reed naar
jaarmarkten en andere bijeenkomsten, en hielp zich uit den nood zoo
goed hij kon. Maar wat bij hierdoor aan geld won, verloor hij aan
aanzien: want dit landbouwen en handeldrijven werd door zijne
standgenooten, welke aan niets dan aan hanengevechten, aan jacht en
wedloopen, tusschenbeide door een woedend tweegevecht afgewisseld,
dachten, zeer ongunstig beoordeeld. Zulke bezigheden waren, volgens hun
gevoelen, beneden de waardigheid der adellijke heeren van Ellangowan,
en hij zag zich ten laatste gedwongen, om hun gezelschap te vermijden
en een aanzienlijk landbouwer te worden, dat ten dien tijde nochtans
geen aanzienlijke stand was.
Doch te midden van zijne plannen eischte de dood zijne schatting, en
het armoedige erfgoed ging over op zijnen eenigen zoon, den gastheer
van onzen reiziger. Het bleek spoedig, hoe gevaarlijk de ondernemingen
zijns vaders voor hem waren. Het ontbrak geheel aan het eigene werkzame
opzicht van den ouden heer, en alles, wat de zoon begon, mislukte
gedeeltelijk of geheel. Zonder een vonkje eigene kracht, om zulke
ongelukken te herstellen, verliet hij zich op de werkzaamheid van
anderen. Hij hield jagers, noch jachthonden, noch andere dingen, die
ten verderve leiden; maar hij liet zijne belangen aan eenen
zaakwaarnemer over, die hem even goed den weg ten ondergang baande.
Onder het opzicht van dezen man werden kleine schulden groot,
interesten op kapitalen gehoopt, aflosbare lasten erfelijk gemaakt, en
proceskosten gaven eindelijk den doodsteek, ofschoon de goede heer zoo
weinig van rechtsgedingen hield, dat hij somtijds eerst kennis van
zijne twisten kreeg, als het gerecht de kosten invorderde. Zijne buren
zagen zijnen val vooruit, en terwijl de aanzienlijken hem als eenen
onwaardigen broeder beschouwden, over wiens val zij zich verheugden,
hadden de geringeren meer medelijden met zijnen nood, omdat zij in
zijnen stand niets benijdenswaardig vonden. Hij was zelfs eene soort
van gunsteling van deze laatsten, en bij menige openbare bijeenkomst,
waar het de verdeeling van eene gemeenteweide gold, eene vrije
visscherij, of maatregelen tegen de wilddieven te beramen, en over
verdrukking van de adellijke landheeren gesproken werd, werd er
dikwijls gezegd: „ja, als de eerlijke Ellangowan nog zoo vele macht
bezat als zijne voorouders, zou hij de arme lieden zoo niet onder de
voeten laten treden.” Maar niettegenstaande dit gunstige gevoelen zag
men er toch geene zwarigheid in, om hem bij elke gelegenheid te
benadeelen, het vee in zijne bosschen te drijven, hout van hem te
stelen en zijn wild te schieten: „want de goede man sloeg daar immers
geen acht op en nam het den armen lieden niet kwalijk.” Marskramers,
heidenen, ketellappers, en allerlei landloopers zetten zich in den
omtrek van zijne woning neder, of vertoefden in zijne keuken, en de
landheer, „die niet al te keurig was,” en gaarne veel praatte, zoo als
de meeste zwakke menschen, vond zich voor zijne gastvrijheid beloond,
door het genoegen van zijne gasten naar het nieuws uit den omtrek te
vragen.
Op den weg naar zijnen ondergang werd de heer nog staande gehouden door
vier duizend pond sterling, welke zijne bruid hem ten huwelijk bracht.
Niemand, in den ganschen omtrek, kon begrijpen, waarom zij hem gekozen
en haren rijkdom met hem gedeeld had, of het moest zijn, omdat hij eene
rijzige, fraaie gestalte en aangename gelaatstrekken bezat, en zeer
vriendelijk en zeer goedaardig was. Ook mag hierbij nog wel in
aanmerking genomen worden, dat zij den rijperen ouderdom van acht en
twintig jaren bereikt had en geene naastbestaanden had, die haar in
hare daden of in hare keus belemmeren konden. Zij zou nu voor de eerste
maal moeder worden, en het was om harentwil, dat de bode op dien avond
naar Kippletringan gezonden was, gelijk de oude vrouw in de hut aan
Mannering verteld had.
Ofschoon wij reeds zooveel van den heer zelven medegedeeld hebben,
moeten wij nog den lezer eenigszins bekend maken met zijn makker. Deze
was Abel Sampson, gewoonlijk, als onderwijzer der jeugd, „Dominé [1]
Sampson” genoemd. Hij was van geringe afkomst, maar had sedert zijne
vroegste jeugd een zoo buitengewonen ernst getoond, dat zijne arme
ouders de meeste hoop koesterden, dat hun zoon nog wel eens den weg tot
den kansel zou vinden. Bij dit eerzuchtige vooruitzicht bezuinigden zij
op alles wat zij bedenken konden, stonden vroeg op en gingen laat te
bed, aten droog brood en dronken koud water, om den kleiner Abel het
noodige onderricht te verschaffen. Maar ongelukkig werd de arme Sampson
door zijne lange, onbevallige gestalte, door zijne stilzwijgendheid en
zijn ernstig gedrag, zoowel als door eene belachelijke gewoonte om met
armen en beenen te zwaaien, en zijn gezicht, onder het opzeggen van
zijne les, te vertrekken, den school kinderen ten spot. Op de hoogere
scholen te Glasgow ging het hem even zoo. De straatjongens liepen
gewoonlijk samen, als Dominé Sampson – dezen eeretitel had hij toen
reeds – met zijn woordenboek onder den arm uit de Grieksche klasse kwam
en zijne lange misvormde beenen uitspreidde, welke op zonderlinge wijze
maat hielden met de bewegingen van zijne ongemeen groote
schouderbladen, waarop een kale zwarte rok, zijne gewone en eenige
kleeding, op en neder bewogen werd. Zoodra hij sprak, waren alle
pogingen van den hoogleeraar (hoewel een professor der theologie) te
vergeefsch, om het onophoudelijk gelach der studenten te keer te gaan
of om zelf ernstig te blijven. Het uitgestreken bleeke aangezicht, de
groote uitpuilende oogen, de zware benedenkaak, welke hij niet
willekeurig op en neer scheen te kunnen bewegen, maar die door een
inwendig ingewikkeld werktuig opgeheven en neergelaten scheen te
worden, zijne heesche, onwelluidende stem en de gillende toon, waarin
ze overging, als hij tot duidelijker spreken vermaand werd – dit alles
bracht de lachspieren nog meer in beweging, waarbij dan nog de gelapte
rok en gescheurde schoenen kwamen, welke, reeds sedert den tijd van
Juvenalis, stof tot spotten met eenen armen geleerde gegeven hebben.
Men weet geen voorbeeld, dat Sampson hierover toornig geworden was, of
zich op zijne plagers had zoeken te wreken. Hij sloop langs de
eenzaamste paden, die hij vinden kon, uit de hoogeschool naar zijne
ellendige woning, waar hij, voor achttien stuivers in de week, op eenen
stroozak slapen en, als de huisvrouw eene goede bui had, bij haar vuur
zijne lessen leeren mocht. Onder deze benauwde omstandigheden verwierf
hij nochtans veel kennis van het Grieksch en Latijn, en bleef ook in de
andere wetenschappen geen vreemdeling. Met den tijd werd hij dan ook
kandidaat in de godgeleerdheid, en verkreeg dus het recht in den kansel
op te treden. Maar helaas! op den predikstoel stond hem eensdeels zijne
beschroomdheid in den weg en, ten andere, barstte de geheele
vergadering, bij zijne eerste proef, zoodanig in lachen uit, dat de
arme man geen woord meer uitbrengen kon. Hij hoestte en opende den
mond, zijne oogen rolden vreeselijk, hij sloeg den bijbel dicht,
struikelde de trappen van den predikstoel af, en liep de oude vrouwen,
die hier gewoonlijk hare plaats hadden, bijna omver. Sedert dien tijd
noemde men hem niet anders dan den verongelukten predikant. Nu keerde
hij, met verloren hoop en zonder vooruitzichten, naar zijne
geboorteplaats terug, om de armoede zijner ouders te deelen. Daar hij
vriend noch vertrouwde, ja nauwelijks éénen bekende had, vond niemand
gelegenheid om nauwkeurig waar te nemen, hoe Dominé Sampson een ongeluk
droeg, dat aan het stadje, waar hij opgetreden was, gedurende acht
dagen stof tot lachen gaf. Het zou zelfs een werk zonder einde zijn, de
ontelbare aardigheden te willen opsommen, waartoe het aanleiding gaf,
beginnende met eene Ballade, „Sampsons Raadsel” geheeten en geschreven
door een vluggen jongen student in de philosophie, en eindigende met de
uitdrukking van den vriend van den Deken van de faculteit, dat
„Sampson”, niet als Simson op zijne vlucht, de poorten van den tempel
meêgenomen had. Naar den schijn, ten minste, werd zijne lankmoedigheid
ook hierdoor niet geschokt. Hij zocht, door het oprichten van eene
school, zoo veel te verdienen, dat hij zijne ouders ondersteunen kon en
had spoedig leerlingen genoeg, maar zeer weinige inkomsten. De zonen
der pachters konden hem geven wat zij wilden; van den armen man nam hij
niets; en het strekte den eersten weinig tot eer, dat de arme
onderwijzer nooit zoo veel verdienen kon, als een bekwame knecht achter
den ploeg. Hij schreef echter eene goede hand, en verdiende dus nog
iets door afschrijven van rekeningen en het stellen van brieven voor
den heer Ellangowan. Deze, die zeer afgezonderd leefde, schiep
langzamerhand behagen in het gezelschap van Sampson. Aangename
gesprekken kon Sampson zekerlijk niet voeren; maar hij was een goed
toehoorder en kon het vuur op den haard goed aan den gang houden. Hij
beproefde ook wel eens de kaars te snuiten; maar nadat hij, bij twee
mislukte proeven, de kamer in duisternis gehuld had, gaf hij dit
eerzuchtig streven om beleefd te zijn ook op, en bepaalde van nu af
zijne diensten hierbij, dat hij juist op hetzelfde oogenblik zijn glas
aan den mond bracht, als zijn begunstiger, en met onverstaanbare tonen
zijne toestemming mompelde, zoodra de heer van Ellangowan zijne
eindelooze, verwarde verhalen sloot.
Het was bij zulk eene gelegenheid dat hij onzen held voor het eerst
zijne lange, magere, lompe, houten gestalte vertoonde, die in een
zwarten, versleten rok gehuld, waarbij nog een bonte, niet al te
zindelijke doek om den gespierden mageren hals, eene grijze broek,
donkerblauwe kousen en bespijkerde schoenen met kleine koperen gespen
gevoegd waren.