TWEEDE HOOFDSTUK.

– Hij sluipt binnen

En ontrooft me van mijn erfdeelen

Een groot gedeelte. –

Shakespeare.

Het gezelschap in de woonkamer te Ellangowan bestond uit den heer

zelven en een man, die er als een dorpsschoolmeester of koster uitzag;

want zijn uiterlijk was te armoedig, om te doen veronderstellen dat het

de predikant van het dorp was, die zich bij een bezoek op het slot

zeker beter gekleed zou hebben.

De heer was een landedelman van den tweeden rang, dien men zoo dikwerf

op het platte land vindt, doch behoorde niet tot hen, die Fielding als

nuttelooze wildverteerders schildert: want de lust tot de jacht geeft

toch eene zekere werkzaamheid van hart te kennen, die de goede Bertram

verloren had, indien hij ze ooit bezeten had. Goedaardige zorgeloosheid

was de eenige sprekende uitdrukking op zijne gelaatstrekken, welke

anders eerder fraai, dan onaangenaam waren; met één woord, zijn gelaat

verkondigde die ledigheid van gemoed, welke zijn geheele leven

kenschetste. De lezer moge ondertusschen een oog op de omstandigheden

en het leven van den man slaan, terwijl hij eene lange redevoering

houdt over het nut en het gemak van het omwinden der stijgbeugels met

stroo, wanneer men in een kouden nacht te paard rijdt.

Godfried Bertram van Ellangowan had vele voorouders, maar weinig

inkomsten, gelijk zoo menig landedelman van dien tijd. De rij zijner

voorouders strekte zich ver uit tot in de aloude eeuwen der

onafhankelijkheid van het land onder Gaelen, en men vond aan zijnen

stamboom; behalve de Christelijke namen van Godfried, Gilbert, Roland

enz., uit den tijd der kruistochten, ook nog de Heidensche vruchten van

eenen veel ouderen tijd als Arth, Knarth, Donagild en Hanlong. Zij

waren inderdaad voorheen de onrustige gebieders over een woest, doch

zeer uitgestrekt grondgebied en de hoofden van eenen talrijken stam,

met name Mac-Dingawaie, ofschoon zij later den Noormandischen naam van

Bertram aannamen. Zij hadden oorlogen begonnen, oproeren gesticht,

waren geslagen, onthoofd en opgehangen, gelijk het voor eenige eeuwen

een aanzienlijk geslacht betaamde. Langzamerhand verloren zij echter

hun aanzien en de Heeren van Ellangowan, eens de hoofden en aanleggers

van samenzweringen, daalden in het vervolg tot ondergeschikte

deelnemers daarin. Hunne ongelukkigste ondernemingen van dezen aard

hadden plaats in de zeventiende eeuw, toen een heillooze geest van

tegenspraak hen beheerschte, en zij steeds met de bovendrijvende partij

overhoop lagen. In tegenstelling met den uit het lied bekenden

predikant van Bray, die zich steeds bij de machthebbenden aansloot,

trokken zij standvastig partij voor de overwonnenen, en even als de

geestelijke, vonden zij loon naar verdienste. Allan Bertram, die ten

tijde van Karel I leefde, en een standvastige koningsvriend was, zoo

als Sir Robert Douglas meldt in zijne geschiedenis der Schotsche

Baronnen, onder het hoofd Ellangowan, verbond zich met den dapperen

Montrose en andere ijverige, getrouwe vaderlandsvrienden, en onderging

groote verliezen. De Koning verhief hem, wel is waar, tot den

ridderstand, maar hij werd door het Parlement zwaar beboet in 1642, en

in 1648 werd hij weder als kwalijkgezind vervolgd. De helft van zijne

bezittingen ging op deze wijze verloren. Zijn zoon, Dennis Bertram,

redde de overblijfsels van het stamgoed door een huwelijk met de

dochter van eenen machtigen dweeper, welke medelid van den staatsraad

was, doch tot zijn ongeluk hechtte hij even zeer aan hare

grondbeginsels, als aan hare persoonlijke bekoorlijkheden. De reeds

aangehaalde schrijver beschrijft zijn karakter als volgt: „Hij was

iemand van uitstekende bekwaamheden en groote vastberadenheid, en werd

om die reden door de westelijke graafschappen tot lid van de Commissie

van Edelen en Heeren gekozen, om hunne grieven voor de invallen der

Hooglanders in 1678 aan den geheimen Raad bloot te leggen. Door zich

hiermede te belasten, haalde hij zich eene geldboete op den hals,

waardoor hij zich genoodzaakt zag, de helft van zijn vaderlijk erfgoed

te verpanden. Door spaarzaamheid had hij dit verlies wel weder te boven

kunnen komen; maar bij het uitbersten van den opstand onder den Hertog

van Argyle kwam Bertram weder onder verdenking, werd gevangen genomen,

naar het kasteel Dunnotar vervoerd aan de zeekust bij Mearrus, en

verloor het leven bij eene poging, om uit den onderaardschen kerker,

„de whigs kelder,” genoemd, te ontvluchten, waar hij met een tachtigtal

partijgangers opgesloten was. De houder van den pandbrief deed zijn

recht gelden, en beroofde dus de familie weder van een aanzienlijk deel

van het stamgoed. De jonge erfgenaam van Ellangowan, Donohoe Bertram,

die een Ierschen doopnaam voerde en met wat Iersche drift bezield was,

aanvaardde het verkleinde erfdeel. Hij wierp den kapelaan zijner

moeder, den eerwaarden heer Aron Mackriar, het huis uit, omdat zij,

gelijk het verhaal luidt, over eene melkmeid, naar wier gunst zij

beiden dongen, in twist geraakt waren; hij maakte zich dagelijks bij

het drinken op het welzijn van den Koning, den Staatsraad en de

Bisschoppen, aan dronkenschap schuldig, braste met den heer van Lagg,

met Theophilus Oglethorpe en sir James Turner, en steeg eindedijk te

paard, vestigde zich te Killikrankie bij Claverhouse. In de

schermutseling te Dunkeld, in 1689, werd hij door een Cameroniër met

eenen zilveren knoop doodgeschoten, omdat men hem algemeen schootvrij

hield voor lood en ijzer. Zijn graf wordt nog altijd „het graf van den

boozen heer” genoemd.

Zijn zoon Lodewijk bezat meer verstand, dan in dit geslacht erfelijk

schijnt geweest te zijn. Hij zocht te behouden, wat hij van het

stamgoed geërfd had, want de uitspattingen van Donohoe en nieuwe

geldboeten en verbeurdverklaringen hadden weer de bezittingen

verminderd, en ofschoon hij, door het noodlot medegesleept, dat

vijandig over de heeren van Ellangowan heerschte, zich in de

staatkundige verdeeldheden mengde, had hij de voorzorg genomen, eer hij

in 1715 met Lord Kenmore naar de wapens greep, om zijne landerijen aan

anderen over te dragen, om te voorkomen, dat alles verbeurd zou worden,

als het den Graaf van Mar niet gelukte de Protestantsche dynastie te

verdrijven. Maar dit was slechts aan Scylla ontgaan, om in Charybdis te

vallen; – want hij kon alleen weêr bezit krijgen van zijn eigendom na

een kostbaar rechtsgeding, dat nogmaals aanzienlijke verkleining van

zijn vermogen medesleepte. Hij was echter een vastberaden man en

verkocht een gedeelte van zijne landerijen, verliet het oude slot,

waarin zijne voorouders gewoond hadden, en bouwde, van een gedeelte van

deze eerwaardige puinhoopen, een nieuw huis van drie verdiepingen,

welks voorgevel er als eene grenadiersmuts uitzag, met éen rond

venster, als het oog van een Cykloop in het midden, twee ramen van

weêrskanten en eene deur daartusschen, die toegang verleende tot een

huiskamer en een zaal, die beiden even slecht verlicht waren.

Dit was het nieuwe huis van Ellangowan, waar wij onzen held verlieten,

die zich wellicht intusschen beter vermaakt heeft dan de lezer, en

hierheen had zich Lodewijk Bertram teruggetrokken, bezield met allerlei

plannen voor het herstellen der verliezen door zijne familie geleden.

Hij pachtte eenige landerijen van naburige grondeigenaars, kocht en

verkocht rundvee uit het Hoogland en schapen van Cheviot, reed naar

jaarmarkten en andere bijeenkomsten, en hielp zich uit den nood zoo

goed hij kon. Maar wat bij hierdoor aan geld won, verloor hij aan

aanzien: want dit landbouwen en handeldrijven werd door zijne

standgenooten, welke aan niets dan aan hanengevechten, aan jacht en

wedloopen, tusschenbeide door een woedend tweegevecht afgewisseld,

dachten, zeer ongunstig beoordeeld. Zulke bezigheden waren, volgens hun

gevoelen, beneden de waardigheid der adellijke heeren van Ellangowan,

en hij zag zich ten laatste gedwongen, om hun gezelschap te vermijden

en een aanzienlijk landbouwer te worden, dat ten dien tijde nochtans

geen aanzienlijke stand was.

Doch te midden van zijne plannen eischte de dood zijne schatting, en

het armoedige erfgoed ging over op zijnen eenigen zoon, den gastheer

van onzen reiziger. Het bleek spoedig, hoe gevaarlijk de ondernemingen

zijns vaders voor hem waren. Het ontbrak geheel aan het eigene werkzame

opzicht van den ouden heer, en alles, wat de zoon begon, mislukte

gedeeltelijk of geheel. Zonder een vonkje eigene kracht, om zulke

ongelukken te herstellen, verliet hij zich op de werkzaamheid van

anderen. Hij hield jagers, noch jachthonden, noch andere dingen, die

ten verderve leiden; maar hij liet zijne belangen aan eenen

zaakwaarnemer over, die hem even goed den weg ten ondergang baande.

Onder het opzicht van dezen man werden kleine schulden groot,

interesten op kapitalen gehoopt, aflosbare lasten erfelijk gemaakt, en

proceskosten gaven eindelijk den doodsteek, ofschoon de goede heer zoo

weinig van rechtsgedingen hield, dat hij somtijds eerst kennis van

zijne twisten kreeg, als het gerecht de kosten invorderde. Zijne buren

zagen zijnen val vooruit, en terwijl de aanzienlijken hem als eenen

onwaardigen broeder beschouwden, over wiens val zij zich verheugden,

hadden de geringeren meer medelijden met zijnen nood, omdat zij in

zijnen stand niets benijdenswaardig vonden. Hij was zelfs eene soort

van gunsteling van deze laatsten, en bij menige openbare bijeenkomst,

waar het de verdeeling van eene gemeenteweide gold, eene vrije

visscherij, of maatregelen tegen de wilddieven te beramen, en over

verdrukking van de adellijke landheeren gesproken werd, werd er

dikwijls gezegd: „ja, als de eerlijke Ellangowan nog zoo vele macht

bezat als zijne voorouders, zou hij de arme lieden zoo niet onder de

voeten laten treden.” Maar niettegenstaande dit gunstige gevoelen zag

men er toch geene zwarigheid in, om hem bij elke gelegenheid te

benadeelen, het vee in zijne bosschen te drijven, hout van hem te

stelen en zijn wild te schieten: „want de goede man sloeg daar immers

geen acht op en nam het den armen lieden niet kwalijk.” Marskramers,

heidenen, ketellappers, en allerlei landloopers zetten zich in den

omtrek van zijne woning neder, of vertoefden in zijne keuken, en de

landheer, „die niet al te keurig was,” en gaarne veel praatte, zoo als

de meeste zwakke menschen, vond zich voor zijne gastvrijheid beloond,

door het genoegen van zijne gasten naar het nieuws uit den omtrek te

vragen.

Op den weg naar zijnen ondergang werd de heer nog staande gehouden door

vier duizend pond sterling, welke zijne bruid hem ten huwelijk bracht.

Niemand, in den ganschen omtrek, kon begrijpen, waarom zij hem gekozen

en haren rijkdom met hem gedeeld had, of het moest zijn, omdat hij eene

rijzige, fraaie gestalte en aangename gelaatstrekken bezat, en zeer

vriendelijk en zeer goedaardig was. Ook mag hierbij nog wel in

aanmerking genomen worden, dat zij den rijperen ouderdom van acht en

twintig jaren bereikt had en geene naastbestaanden had, die haar in

hare daden of in hare keus belemmeren konden. Zij zou nu voor de eerste

maal moeder worden, en het was om harentwil, dat de bode op dien avond

naar Kippletringan gezonden was, gelijk de oude vrouw in de hut aan

Mannering verteld had.

Ofschoon wij reeds zooveel van den heer zelven medegedeeld hebben,

moeten wij nog den lezer eenigszins bekend maken met zijn makker. Deze

was Abel Sampson, gewoonlijk, als onderwijzer der jeugd, „Dominé [1]

Sampson” genoemd. Hij was van geringe afkomst, maar had sedert zijne

vroegste jeugd een zoo buitengewonen ernst getoond, dat zijne arme

ouders de meeste hoop koesterden, dat hun zoon nog wel eens den weg tot

den kansel zou vinden. Bij dit eerzuchtige vooruitzicht bezuinigden zij

op alles wat zij bedenken konden, stonden vroeg op en gingen laat te

bed, aten droog brood en dronken koud water, om den kleiner Abel het

noodige onderricht te verschaffen. Maar ongelukkig werd de arme Sampson

door zijne lange, onbevallige gestalte, door zijne stilzwijgendheid en

zijn ernstig gedrag, zoowel als door eene belachelijke gewoonte om met

armen en beenen te zwaaien, en zijn gezicht, onder het opzeggen van

zijne les, te vertrekken, den school kinderen ten spot. Op de hoogere

scholen te Glasgow ging het hem even zoo. De straatjongens liepen

gewoonlijk samen, als Dominé Sampson – dezen eeretitel had hij toen

reeds – met zijn woordenboek onder den arm uit de Grieksche klasse kwam

en zijne lange misvormde beenen uitspreidde, welke op zonderlinge wijze

maat hielden met de bewegingen van zijne ongemeen groote

schouderbladen, waarop een kale zwarte rok, zijne gewone en eenige

kleeding, op en neder bewogen werd. Zoodra hij sprak, waren alle

pogingen van den hoogleeraar (hoewel een professor der theologie) te

vergeefsch, om het onophoudelijk gelach der studenten te keer te gaan

of om zelf ernstig te blijven. Het uitgestreken bleeke aangezicht, de

groote uitpuilende oogen, de zware benedenkaak, welke hij niet

willekeurig op en neer scheen te kunnen bewegen, maar die door een

inwendig ingewikkeld werktuig opgeheven en neergelaten scheen te

worden, zijne heesche, onwelluidende stem en de gillende toon, waarin

ze overging, als hij tot duidelijker spreken vermaand werd – dit alles

bracht de lachspieren nog meer in beweging, waarbij dan nog de gelapte

rok en gescheurde schoenen kwamen, welke, reeds sedert den tijd van

Juvenalis, stof tot spotten met eenen armen geleerde gegeven hebben.

Men weet geen voorbeeld, dat Sampson hierover toornig geworden was, of

zich op zijne plagers had zoeken te wreken. Hij sloop langs de

eenzaamste paden, die hij vinden kon, uit de hoogeschool naar zijne

ellendige woning, waar hij, voor achttien stuivers in de week, op eenen

stroozak slapen en, als de huisvrouw eene goede bui had, bij haar vuur

zijne lessen leeren mocht. Onder deze benauwde omstandigheden verwierf

hij nochtans veel kennis van het Grieksch en Latijn, en bleef ook in de

andere wetenschappen geen vreemdeling. Met den tijd werd hij dan ook

kandidaat in de godgeleerdheid, en verkreeg dus het recht in den kansel

op te treden. Maar helaas! op den predikstoel stond hem eensdeels zijne

beschroomdheid in den weg en, ten andere, barstte de geheele

vergadering, bij zijne eerste proef, zoodanig in lachen uit, dat de

arme man geen woord meer uitbrengen kon. Hij hoestte en opende den

mond, zijne oogen rolden vreeselijk, hij sloeg den bijbel dicht,

struikelde de trappen van den predikstoel af, en liep de oude vrouwen,

die hier gewoonlijk hare plaats hadden, bijna omver. Sedert dien tijd

noemde men hem niet anders dan den verongelukten predikant. Nu keerde

hij, met verloren hoop en zonder vooruitzichten, naar zijne

geboorteplaats terug, om de armoede zijner ouders te deelen. Daar hij

vriend noch vertrouwde, ja nauwelijks éénen bekende had, vond niemand

gelegenheid om nauwkeurig waar te nemen, hoe Dominé Sampson een ongeluk

droeg, dat aan het stadje, waar hij opgetreden was, gedurende acht

dagen stof tot lachen gaf. Het zou zelfs een werk zonder einde zijn, de

ontelbare aardigheden te willen opsommen, waartoe het aanleiding gaf,

beginnende met eene Ballade, „Sampsons Raadsel” geheeten en geschreven

door een vluggen jongen student in de philosophie, en eindigende met de

uitdrukking van den vriend van den Deken van de faculteit, dat

„Sampson”, niet als Simson op zijne vlucht, de poorten van den tempel

meêgenomen had. Naar den schijn, ten minste, werd zijne lankmoedigheid

ook hierdoor niet geschokt. Hij zocht, door het oprichten van eene

school, zoo veel te verdienen, dat hij zijne ouders ondersteunen kon en

had spoedig leerlingen genoeg, maar zeer weinige inkomsten. De zonen

der pachters konden hem geven wat zij wilden; van den armen man nam hij

niets; en het strekte den eersten weinig tot eer, dat de arme

onderwijzer nooit zoo veel verdienen kon, als een bekwame knecht achter

den ploeg. Hij schreef echter eene goede hand, en verdiende dus nog

iets door afschrijven van rekeningen en het stellen van brieven voor

den heer Ellangowan. Deze, die zeer afgezonderd leefde, schiep

langzamerhand behagen in het gezelschap van Sampson. Aangename

gesprekken kon Sampson zekerlijk niet voeren; maar hij was een goed

toehoorder en kon het vuur op den haard goed aan den gang houden. Hij

beproefde ook wel eens de kaars te snuiten; maar nadat hij, bij twee

mislukte proeven, de kamer in duisternis gehuld had, gaf hij dit

eerzuchtig streven om beleefd te zijn ook op, en bepaalde van nu af

zijne diensten hierbij, dat hij juist op hetzelfde oogenblik zijn glas

aan den mond bracht, als zijn begunstiger, en met onverstaanbare tonen

zijne toestemming mompelde, zoodra de heer van Ellangowan zijne

eindelooze, verwarde verhalen sloot.

Het was bij zulk eene gelegenheid dat hij onzen held voor het eerst

zijne lange, magere, lompe, houten gestalte vertoonde, die in een

zwarten, versleten rok gehuld, waarbij nog een bonte, niet al te

zindelijke doek om den gespierden mageren hals, eene grijze broek,

donkerblauwe kousen en bespijkerde schoenen met kleine koperen gespen

gevoegd waren.

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 4 / 75 题