EERSTE HOOFDSTUK.

„Hij kon niet ontkennen, toen hij rondkeek op

de woeste streek en niets ontwaarde dan kale

velden, dorre boomen, heuvels in nevel gehuld

en vlakten die overstroomd waren, dat hij een

tijdlang droefgeestig gestemd werd en wenschte

weêr veilig te huis te zijn.”

Reizen van Will. Marvel.

In het begin van November 17.. maakte een jonge Engelschman, die juist

de hoogeschool te Oxford verlaten had, van zijne verkregene vrijheid

gebruik, om eenige noordelijke streken van Engeland te bezoeken. De

nieuwsgierigheid verleidde hem, om zijne reis tot over de nabijgelegen

grenzen van Schotland uit te strekken.

Op den dag, waarmede onze geschiedenis begint, had hij eenige

bouwvallen van een klooster in het graafschap Dumfries bezocht, en het

grootste gedeelte van den tijd besteed, om ze van verschillende

standpunten uit te teekenen. Toen hij weder te paard steeg, om zijn

tocht voort te zetten, was de korte en sombere avondschemering van het

jaargetijde reeds ingevallen. De weg liep door een akelig moeras, dat

zich naar beide zijden en vóor hem uit, mijlen ver uitstrekte. Kleine

hoogten, welke hier en daar met koren begroeid waren, dat zelfs in dit

jaargetijde nog niet rijp was, verhieven zich als eilanden boven de

vlakte, waarop men buitendien niets zag dan eene enkele hut of eene

pachterswoning, door eenige wilgen beschaduwd en door eene heining van

vlierboomen omringd. Voetpaden, die door het moeras slingerden, en

alleen voor de landbewoners begaanbaar waren, verbonden deze eenzame

woningen. De rijweg was nochtans vrij goed en veilig, zoodat de

reiziger, welke hier door den nacht overvallen mocht worden, geen

gevaar behoefde te duchten. Ondertusschen is iemand, die in het donker,

en alleen door een onbekende streek reist, niet altijd wel te moede, en

bij weinige gelegenheden is de verbeelding zoo werkzaam, als in een

toestand van dien aard, waarin Mannering, onze ruiter, zich bevond.

Naarmate het donkerder werd en het moeras hoe langer zoo zwarter

scheen, vroeg onze reiziger iederen voorbijganger dringender, hoever

hij nog van het dorp Kippletringan, waar hij den nacht wilde

doorbrengen, verwijderd was. Op zijne vragen volgde gewoonlijk

wederkeerig de vraag: waar komt Mijnheer van daan? Zoo lang de

voetgangers bij het flauwe licht nog onderscheiden konden, dat zij

eenen reiziger van aanzienlijken stand voor zich hadden, werd de vraag

doorgaans als eene veronderstelling ingekleed, zooals: „Mijnheer komt

zeker van het oude klooster van het Heilige Kruis, waarheen zoo vele

Engelsche heeren gaan, om het te bezichtigen.” Of: „Mijnheer komt zeker

van het slot Pouderloupat?” Toen men echter eindelijk niets dan de stem

van den vrager onderscheiden kon, antwoordde men gewoonlijk: „Waar komt

gij zoo laat in den avond toch van daan?” of wel: „Gij behoort zeker

niet in deze streek te huis, vriend?” Voor het overige waren de

antwoorden, welke hij kreeg, evenmin overeenstemmend als nauwkeurig.

Eerst was de afstand van Kippletringan nog een „goed eind wegs”, dat

bij nadere bepaling drie mijlen heette, waarvan dan weder ééne groote

mijl gemaakt werd, welke later verder op omstreeks vier mijlen begroot

werd. Eindelijk verzekerde eene vrouw, die eerst een schreiend kind,

dat zij op den arm droeg, zocht te sussen, onzen reiziger, dat het dorp

nog een heel eind verder af lag en dat de weg voor voetgangers uiterst

moeielijk was. Het arme paard, dat Mannering bereed, scheen den weg

even weinig te bevallen, als dat het geval was met de goede vrouw; het

begon zeer vermoeid te worden, steunde hij bij iederen spoorslag en

struikelde over elken steen, van welke er niet weinig op den weg lagen.

Mannering werd ongeduldig. Tusschenbeide waande hij in een licht, dat

in de verre schemerde, het doel zijner dagreis te zien; doch als hij

naderbij kwam, vond hij slechts eene van die boerderijen, welke hier en

daar het uitgestrekte moeras verlevendigden. Zijne verlegenheid steeg

eindelijk ten top, toen hij aan eenen kruisweg kwam. Al ware het ook

licht genoeg geweest, om de overblijfsels van eenen wegwijzer, welke

hier stond, te raadplegen, zou hem dit toch weinig gebaat hebben, daar,

volgens loffelijke Schotsche gewoonte, het opschrift spoedig na de

oprichting weder uitgewischt was. Als een dolende ridder moest onze

reiziger zich dus op de schranderheid van zijn paard verlaten, dat

zonder aarzelen den weg ter linkerhand insloeg, en daar het wat

vlugger, dan het tot hiertoe gedaan had, begon te draven, zijn berijder

hoop gaf, dat het misschien besefte, dat zijn nachtverblijf niet ver

meer af was. Deze hoop werd echter niet spoedig vervuld, en het scheen

Mannering, wiens ongeduld hem den weg lang deel vallen, dat het doel

zijner reis, het dorp Keppletringan, zich, met iedere schrede die hij

deed, meer verwijderde.

Het was zeer duister, ofschoon de sterren van tijd tot tijd met een

bleek en flauw licht door de wolken schenen. Niets stoorde de diepe

stilte in ’t rond, dan de stemmen der roerdompen en het huilen van den

wind over het sombere moeras. Eindelijk vernam de reiziger ook van

verre het bruisen der zee, die hij snel scheen te naderen; eene

omstandigheid, welke hem nieuwe reden tot bezorgdheid gaf. Vele wegen

in deze streek loopen langs het zeestrand en worden dikwijls door den

vloed, welke zeer hoog en buitengemeen snel is, overstroomd. Andere

paden zijn door kreeken en smalle zeearmen doorsneden, en kunnen ten

tijde van den vloed niet altijd veilig betreden worden. Beide waren

voor eenen met den weg onbekenden reiziger, op een vermoeid paard, in

zulk een donkeren nacht gevaarlijk genoeg. Mannering besloot te

vertoeven in de eerste bewoonde plaats, hoe ellendig ze ook zijn mocht,

tenzij hij eenen gids naar het ongelukkige Trippletringan vinden kon.

Hij hield eindelijk bij een ellendig hutje stil, en nadat hij met veel

moeite de deur gevonden en lang geklopt had, vernam hij eerst tot

antwoord niets anders dan eenen luidruchtigen strijd tusschen eene

vrouwelijke stem en het janken van een hond, welke zich bijna te

bersten blafte, terwijl de vrouw daartusschen schreeuwde. Ten laatste

kreeg de menschelijke stem de bovenhand, maar het gehuil, waarin het

blaffen van den hond overging, scheen te verraden, dat iets gevoeligers

dan woorden deze overwinning behaald had. „Houd je toch stil,” waren de

eerste verstaanbare woorden; „ik kan door jou gejank niet hooren, wat

de man verlangt.”

„Ben ik nog ver van Kippletringan, vrouwtje?” riep Mannering.

„Van Kippletringan!!!” luidde het antwoord op een toon der hoogste

verbazing, die zich door drie uitroepingsteekenen slechts flauw laat

aanduiden. „Wel, vriend! ge hadt oostwaarts moeten rijden om daarheen

te komen; – nu moet ge terug naar den voet van den heuvel en daar langs

houden tot Ballenclose, – dan –”

„Toch niet, vrouwlief! Mijn paard kan niet verder. Kunt gij mij geen

nachtverblijf geven?”

„Dat kan ik waarlijk niet. Jakob is naar de markt te Drumshourloch, om

kalveren te verkoopen, en ik durf onmogelijk de deur openen voor een

landlooper, die zoo laat rondzwerft”

„Maar wat zal ik dan beginnen goede vrouw? Hier op den weg kan ik toch

den nacht niet doorbrengen.”

„Ja, dat weet ik niet. Doch ga beneden naar het heerenhuis. Ik wed, dat

men u gaarne opneemt, – wie ge ook zijt, heer of knecht.”

„Maar hoe kom ik naar het huis? Is hier niemand, die mij den weg wijzen

kan? Ik zal er goed voor betalen.”

Dit woord betalen werkte als een tooverslag. „Hans! luije bengel!” riep

de vrouw in huis. „Gij ligt daar te snorken, terwijl een jonge mijnheer

eenen gids naar het slot noodig heeft. Sta op, deugniet! en breng hem

er heen. Hij zal u den weg wijzen, Mijnheer, en ik sta er u borg voor,

dat gij goed ontvangen zult worden, want zij wijzen dáár nooit iemand

af. Ik denk, dat gij juist ter goeder uur zult komen; de knecht van

mijnheer, – niet zijn eigen lijfknecht, maar een der boden, – reed

heden avond hier voorbij, om de vroedvrouw te halen, en verhaalde ons,

terwijl hij hier een glas bier dronk, dat mevrouw al hulp noodig had.”

„Maar op zulk eenen tijd,” hernam Mannering, zóu de aankomst van eenen

vreemdeling wel lastig kunnen zijn.

„In het minste niet, daarvoor behoeft gij niet bang te zijn; het huis

is groot genoeg, en de geboorte van een kind is altijd een gelukkig

uur.”

Hans had intusschen zijn gescheurd wambuis en nog oudere broek

aangetrokken, en nu kwam een blonde, trage knaap van omstreeks twaalf

jaar voor den dag, bij het schijnsel van een lampje, dat zijne

halfnaakte moeder zoo hield, dat zij den vreemdeling zien kon, zonder

zelve te veel aan zijne blikken blootgesteld te zijn. De jongen ging in

westelijke richting om den hoek van het huis, en het paard bij den

teugel vattende, geleidde hij den reiziger voorzichtig over een smal

pad, langs den rand van eenen diepen mestkuil, welken Mannering eerder

ruiken dan zien kon. Daarop sleepte hij het moede dier over eenen

hobbeligen steenweg, en toen over een versch geploegd veld. Hierop

maakte hij een gat in eenen muur van losse steenen, waarvan een geheele

massa naar beneden rolde, en sleepte het geduldige dier door de bres.

Eindelijk bracht hij den reiziger door een hek in iets, dat op een laan

van boomen geleek, ofschoon vele daarvan reeds geveld waren. Het

bruisen der zee werd sterker en kwam naderbij, terwijl de maan, welke

nu door de wolken straalde, een met torens voorzien, naar het

uiterlijke vervallen gebouw van aanzienlijken omtrek verlichtte.

Mannering bekeek het met een mismoedig gevoel, en zeide: „Jongen! dat

is immers een puinhoop, en geen huis!”

„Onze heeren hebben daar echter langen tijd gewoond. Het is het oude

slot Ellangowan. Nu spookt het hier wel eens; maar daarvoor behoeft gij

niet bang te zijn: ik zelf heb nog nooit iets gezien. Maar, nu zijn wij

juist bij de deur van het nieuwe huis.”

De reiziger liet de bouwvallen rechts liggen, en was met een paar

schreden voor de deur van een nieuw huis van middelmatige grootte, waar

de jongen hard aanklopte. Mannering gaf den bediende, die de deur

opende, zijne omstandigheden te kennen, terwijl de heer des huizes, die

het gesprek in de woonkamer gehoord had, buitenkwam en den vreemdeling

gastvrij welkom heette op Ellangowan.

De knaap ontving eene goede fooi voor zijne moeite en ging zeer

vergenoegd heen; het afgematte paard werd op stal gebracht, en

Mannering zat spoedig bij eenen goeden avondmaaltijd, welken hij zich,

na zijnen nachtelijken rid, goed smaken liet.

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 3 / 75 题