INLEIDING.

De roman Waverley geheeten, baande zich een weg, natuurlijk eerst

langzaam, maar later met zulken toenemenden voorspoed, dat de schrijver

zich aangemoedigd zag tot eene tweede poging.

Hij zocht naar een titel en een onderwerp, en de wijze waarop zijne

romans geschreven werden, kan niet beter medegedeeld worden dan door

het eenvoudig verhaal te doen, waarop Guy Mannering oorspronkelijk

berustte, maar dat, naarmate het werk vorderde, hoe langer zoo meer

daarvan afweek, zoodat eindelijk er geen spoor meer van overeenkomst

tusschen beide overbleef. De geschiedenis werd mij eerst verteld door

een ouden knecht van mijn vader, – een uitstekenden, grijzen

Hooglander, zonder eenig gebrek, tenzij men het hem als zoodanig

aanrekene, dat hij aan den jenever van zijn vaderland boven ieder

anderen minder sterken drank de voorkeur schonk. Hij geloofde even vast

aan het verhaal als aan eenig artikel van zijn geloofsbelijdenis.

De oude Jan Mac Kinlay vertelde dan, dat zekere deftige en bejaarde

personaadje op eene reis door de woeste streken van Galloway door den

nacht overvallen werd. Het kostte hem veel moeite den weg te vinden

naar een buiten, waar hij met de gastvrijheid, aan den tijd en de

landstreek eigen, vriendelijk opgenomen werd. De heer des huizes, een

vermogend man, was zeer getroffen door het eerbiedwekkend uiterlijk van

zijn gast en verzocht verontschuldiging voor eene zekere mate van

verwarring in huis, die het oog van den vreemdeling niet ontgaan kon.

De vrouw des huizes, zeide hij, moest boven blijven en was op het punt

om haar echtgenoot voor den eersten keer tot vader te maken, hoewel zij

reeds sedert tien jaren getrouwd waren. De gastheer voegde er bij, dat

hij vreezen moest dat de bezoeker op zulk een oogenblik aan eenig gemis

van oplettendheid blootgesteld zou zijn.

„Volstrekt niet, Mijnheer,” antwoordde de vreemdeling; „ik heb weinige

behoeften; daarin is gemakkelijk te voorzien en ik hoop dat de

tegenwoordige omstandigheden mij zelfs de gelegenheid zullen

verschaffen om mijne dankbaarheid voor uwe gastvrijheid te toonen. Laat

mij maar het juiste oogenblik van de geboorte van het kind weten, en ik

vertrouw, dat ik u eenige bijzonderheden zal kunnen mededeelen, die een

belangrijken invloed kunnen uitoefenen op de toekomst van den nieuwen

bewoner van deze drukke en wisselvallige wereld. Ik wil u niet

verbergen, dat ik de gave bezit om de bewegingen van die hemellichamen,

die het lot der stervelingen beheerschen, te verstaan en uit te leggen.

Ik beoefen die wetenschap niet zooals anderen, die zich

sterrewichelaars noemen, om geld of belooning, want ik bezit zelf een

ruim vermogen, en maak alleen gebruik van mijne kennis ten behoeve van

diegenen in wie ik belang stel.”

De heer des huizes boog eerbiedig en dankbaar, en de vreemdeling werd

gebracht op eene kamer, die een vrij gezicht op den sterrenhemel

opleverde.

De gast bracht een gedeelte van den nacht door met den stand der

hemellichamen waar te nemen en met het berekenen van den invloed,

welken zij uitoefenen zouden, tot hij eindelijk, ten gevolge zijner

waarnemingen, om den vader zond en hem smeekte, op de meest plechtige

wijze, om zoo mogelijk, al ware het slechts voor vijf minuten, de

geboorte van het kind te vertragen. Het antwoord luidde dat dit

onmogelijk was, en bijna op hetzelfde oogenblik meldde men den vader en

den gast de geboorte van een jongen.

Den volgenden morgen ontmoette de sterrewichelaar het gezelschap aan de

ontbijttafel met zulke sombere en onheilspellende blikken, dat de vrees

van den vader opgewekt werd, die zich tot dusver verheugd had over de

geboorte van een erfgenaam van de aloude bezittingen, die anders

overgaan moesten op een verwijderden tak der familie. Hij haastte zich

dan den vreemdeling te brengen in een vertrek, waar zij zich alleen

bevonden.

„Uit uwe blikken moet ik opmaken,” zei de vader, „dat ge me slechte

berichten geven moet aangaande den jonggeborene. Misschien zal de

Hemelsche Vader den zegen, mij thans geschonken, vroegtijdig weer tot

zich nemen, of is hij wellicht bestemd om die liefde onwaardig te zijn,

welke wij zoo geneigd zijn onzen kinderen te schenken.”

„Ik voorzie noch het een noch het ander,” hernam de vreemdeling. „Als

ik mij niet zeer vergis, zal het kind den mannelijken leeftijd

bereiken, en wat zijn aard en gemoed betreft, zullen zijne ouders niets

te wenschen hebben. Maar, tegelijk met veel in zijn horoscoop dat

groote zegeningen belooft, is een boos gesternte voorheerschend,

hetwelk dreigt hem aan een heillooze en ernstige verzoeking bloot te

stellen tegen den leeftijd van een en twintig jaren, – volgens de

hemellichamen, het beslissende oogenblik van zijn leven. Onder welken

vorm, of op welke wijze de verleiding hem overvallen zal, leert mijne

kunst mij niet.”

„Uwe wetenschap biedt dus geen verdedigingsmiddel tegen het dreigende

onheil?” vroeg de verontruste vader.

„Toch wèl,” hernam de vreemdeling. „De invloed der sterren is machtig.

Maar Hij, die de Hemelen schiep, is nog machtiger, als men Zijn hulp

met oprechtheid inroept. Gij moet dezen knaap aan den dienst van zijn

Schepper toewijden, even onvoorwaardelijk als Samuel door zijne ouders

aan den dienst in den tempel gewijd werd. Gij moet hem beschouwen als

geheel afgescheiden van de wereld. In de wieg, in zijne jeugd, moet hij

omgeven worden door vrome en deugdzame menschen en gij moet hem, zoo

ver mogelijk, verwijderd houden in woord en daad van het gezicht of de

kennis van al wat misdadig is. Hij moet opgevoed worden in

godsdienstige en zedelijke grondbeginselen van den strengsten aard.

Houd hem van de wereld afgescheiden, om te beletten dat hij besmet

worde door hare dwaasheden, of hare ondeugden. Met één woord, bewaar

hem, zoo mogelijk, voor alle zonde, behalve die, welke als erfdeel zoo

ruimschoots toegevallen is aan het verbasterd nageslacht van Adam. Met

het naderen van zijn één en twintigsten verjaardag, nadert ook de

crisis van zijn lot; – als hij die overleeft, zal hij op aarde gelukkig

en voorspoedig zijn en een der uitverkorenen des hemels. – In het

tegenovergestelde geval,” – en hier brak de Sterrewichelaar af en

zuchtte zwaar.

„Mijnheer,” antwoordde de vader, nog meer verontrust dan vroeger, „uwe

woorden zijn zoo liefderijk en uw raad zoo hoog ernstig, dat ik niet

aarzelen zal dienovereenkomstig te handelen; maar kunt gij mij niet

verder bijstaan in eene zoo gewichtige zaak? Geloof mij – ik zal niet

ondankbaar zijn.”

„Ik eisch en verlang geene dankbaarheid voor eene goede daad,” hernam

de vreemdeling, „vooral niet voor het bijdragen, voor zoo ver ik doen

kan, om een afschuwelijk lot af te wenden van het onschuldige kind, dat

dezen nacht onder eene zeer bijzondere conjunctie der planeten ter

wereld kwam. Hier is mijn adres. Ge kunt mij van tijd tot tijd

schrijven en mij op de hoogte houden aangaande de vorderingen van het

kind in den godsdienst. Als hij opgevoed wordt op de wijze welke ik

aangewezen heb, zal het wellicht het beste zijn, dat hij tegen den tijd

van de noodlottige en beslissende crisis bij mij in huis kome, eer hij

zijn één en twintigste jaar bereikt heeft, en als ik hem zoo vind, als

ik van harte wensch, vertrouw ik ootmoedig dat de Heere zijn

uitverkorene zal beschermen, welke ook de verleiding zij, die hem het

noodlot voorbereidt.”

Hiermede gaf hij zijn gastheer zijn adres – op een buiten in de

nabijheid van eene landstad in het zuiden van Engeland, en zeide hem

hartelijk vaarwel.

De geheimzinnige vreemdeling was vertrokken, maar zijne woorden bleven

diep gegrift in het hart van den verontrusten vader. Zijne echtgenoote

stierf toen de knaap nog zeer jong was, en als ik mij niet vergis, was

deze ramp door den sterrewichelaar voorspeld, en aldus werd het

vertrouwen van den vader in diens wetenschap, – waaraan hij, zoo als de

meeste menschen van dien tijd, gereedelijk geloof geschonken had, –

bevestigd en vermeerderd. Met de meeste zorg waakte men dus voor de

uitvoering van de strenge en bijna kloosterlijke opvoeding door den

sterrewichelaar voorgeschreven. Een leermeester van onberispelijke

grondbeginselen werd aangenomen, om het onderwijs aan den knaap te

geven, te regelen. Hij werd omgeven door dienstboden van beproefde

eerlijkheid, en de bezorgde vader hield nauwkeurig zelf het

oppertoezicht over alles.

De jaren der kindsheid gingen naar wensch voor den opgroeienden knaap

voorbij. Een jonge Nazireër had op geen strenger wijze kunnen worden

grootgebracht. Al wat slecht was, werd ver van hem verwijderd gehouden;

– hij vernam geen woord, dat niet volkomen rein was; – hij zag alleen

datgene, wat in de beoefening prijzenswaardig was.

Maar toen de knaap langzamerhand jongeling werd, ontwaarde de vader dat

hij reden had om zich ongerust te maken. Het gemoed van den jongen werd

bevangen door eene zekere droefgeestigleid, welke gaanderhand van

dreigender aard werd. Tranen, die onwillekeurig schenen op te wellen;

slapelooze nachten, rondzwerven in den maneschijn en eene

droefgeestigheid, waarvoor hij geen reden kon opgeven, schenen tevens

zijne lichamelijke gezondheid en zijn verstand te ondermijnen. De

Sterrewichelaar werd geraadpleegd en gaf tot antwoord, dat deze

gejaagde toestand slechts de aanvang van zijne beproeving was en dat de

arme jongen steeds wanhopiger worstelingen zou moeten doorstaan tegen

de kwaal, die hem overvallen had. Er bestond geen geneesmiddel, dan een

standvastige wil om de Heilige Schrift te blijven bestudeeren.

„Hij lijdt,” luidde verder de brief van den geleerde, „aan het ontwaken

der hartstochten, dier harpyen, die bij hem, evenals bij anderen,

gesluimerd hebben tot op dezen leeftijd. Het is beter, – veel beter,

dat zij hem kwellen door pijnlijke begeerten, dan dat hij zou moeten

berouwen, ze op eene misdadige wijze te hebben gestreeld.”

De jongeling was zoo uitstekend begaafd, dat hij met behulp van den

godsdienst de sombere vlagen overwon, die hem tusschenbeide overvielen,

en eerst bij de intrede van zijn éen en twintigste jaar werden ze zoo

hevig, dat zijn vader voor de gevolgen beangst werd. Het scheen toen

alsof de somberste en verschrikkelijkste aller ziekten van den geest

den vorm aannam van godsdienstige wanhoop. Maar de jongeling bleef toch

steeds zachtaardig, hoffelijk, liefderijk en onderworpen aan zijns

vaders wil, en weerstond krachtig alle wanhopige inblazingen als het

ware van den Boozen Geest zelven, die hem aanspoorden, even als de

echtgenoote van Job, om God te vloeken, en dan te sterven.

Eindelijk was de tijd gekomen, waarop hij de lange en toenmaals nog

gevaarlijke reis zou ondernemen naar het huis van den vriend, die zijn

horoscoop getrokken had. De weg liep over eenige belangwekkende

plaatsen en hij genoot de afleiding, hem aldus aangeboden, in hoogere

mate dan hij zelf had durven verwachten. Hij bereikte dan den oord

zijner bestemming slechts op den middag van den dag vóór zijn

geboortefeest. Het scheen hem toe alsof hij zich had laten meêslepen

door den stroom van het genot, om eenigermate dàt te vergeten, wat zijn

vader hem van het doel zijner reis medegedeeld had. Eindelijk kwam hij

aan bij een aanzienlijk maar eenzaam gelegen ouderwetsch huis, – het

verblijf van zijns vaders vriend.

Een dienstbode, die hem van zijn paard hielp stijgen, vertelde hem dat

men hem reeds sedert eenige dagen gewacht had. Men bracht hem in een

studeervertrek, waar de heer des huizes, thans een eerbiedwaardig

grijsaard, die zijns vaders gast was geweest, hem met een zweem van

hoogen ernst ontving.

„Waarom zoo traag, jongeling,” zeide hij, „op een tocht, die zoo

belangrijk was?”

„Ik verbeeldde me,” hernam de gast, met een blos en met ter neer

geslagen blikken, „dat het geen kwaad kon om langzaam te rijden en aan

mijne nieuwsgierigheid onderweg te voldoen, mits ik slechts heden uw

huis bereikte, – volgens de bevelen van mijn vader.”

„Het was verkeerd te talmen,” antwoordde de wijsgeer, „terwijl de

doodsvijand u op de hielen zat. Maar eindelijk zijt ge toch hier en we

zullen het beste hopen, hoewel de strijd, waarin ge gewikkeld zult

worden, naarmate die uitgesteld wordt, des te verschrikkelijker zal

zijn. In de eerste plaats echter moet ge die ververschingen gebruiken,

welke de natuur eischt, niet om haar te strelen, maar om haar te

voldoen.”

De grijsaard bracht hem in een vertrek, waar een sober maal bereid

stond.

Toen zij aan tafel gingen, voegde zich bij hen eene jonge dame, van

ongeveer achttienjarigen leeftijd, die zóó schoon was, dat alle

gedachten van den jongen vreemdeling van het zonderlinge en

geheimzinnige van zijn eigen lot afgeleid werden, en dat hij onvatbaar

werd voor alles dan hetgeen zij zeide of deed. Zij sprak weinig en dan

slechts van de meest ernstige zaken. Op bevel van haar vader speelde

zij op de klavecimbaal, maar alleen het accompagnement van eenige

hymnen. Eindelijk, op een wenk van den grijsaard verliet zij de kamer,

terwijl zij bij het heengaan een blik van onbeschrijfelijke

belangstelling en angst op den jongen vreemdeling wierp.

De oude man bracht hierop den jongeling weer in zijn studeervertrek en

sprak met hem over de meest gewichtige godsdienstige leerstellingen, om

zich te overtuigen, dat hij met zijn verstand zijn geloof verantwoorden

kon. Bij dit onderzoek gevoelde de jongeling, dat in weerwil van alle

inspanning zijn geest afdwaalde en dat hij in gedachte het schoone

meisje volgde, dat bij den maaltijd aanwezig was geweest. Bij zulke

gelegenheden keek de Sterrewichelaar wel ernstig, schudde het hoofd

over het gebrek aan oplettendheid; maar, over het geheel scheen hij

zeer voldaan over hetgeen de jongen zeide.

Na zonsondergang moest de gast een bad gebruiken, daarna werd hem

bevolen, zich in een gewaad te hullen, ongeveer zooals de Armeniërs

dragen, terwijl hem het lange haar uitgekamd werd over de schouders en

hals, handen en voeten ontbloot bleven. In dien tooi geleidde men hem

naar eene kamer, waarin zich niets bevond dan een lamp, een stoel en

een tafel waarop een Bijbel lag.

„Hier,” zei de Sterrewichelaar, „moet ik u alleen laten om het

gewichtigste tijdstip van uw leven te slijten. Als gij, door u de

groote waarheden waarover wij gesproken hebben te herinneren, de

aanvallen kunt afslaan, die op uwe standvastigheid en uwe

grondbeginselen zulten worden gedaan, hebt ge niets te vreezen. Maar de

beproeving zal ernstig en moeielijk zijn.” Met eene uitdrukking van

aandoenlijke plechtigheid, met de tranen in de oogen en eene bevende

stem voegde hij er bij: „Waarde jongen, bij wiens geboorte ik deze

beproeving voorzag, – moge de Hemel u de genade schenken ze met

standvastigheid door te staan!”

De jongeling bleef alleen en werd terstond overvallen als door eene

bende booze geesten, door de herinnering aan alle zonden in gedachte en

in de werkelijkheid, die hij ooit begaan had en welke, des te

verschrikkelijke gemaakt door zijne angstvallige opvoeding, hem

geeselden als zoo vele Furiën, en hem tot wanhoop schenen te zullen

brengen. Terwijl hij met de meeste ontroering, maar met vastberadenheid

zich hiertegen trachtte te verzetten, werd hij gewaar dat een derde hem

met sophismen beantwoordde, en dat de strijd niet meer alleen in zijn

eigen hart woedde. De booze geest zelf was lichamelijk in het vertrek

bij hem en, met bijzondere macht begaafd op een zwaarmoedigen geest,

overtuigde hij hem van zijn wanhopigen toestand en fluisterde hem in,

dat de zelfmoord het beste middel zou zijn om zijne zondige loopbaan te

eindigen. Onder zijne dwalingen werd hem in de zwartste kleuren

afgeschilderd het genot, dat hij er in gevonden had, om zijne reis

onnoodig te verlengen, en de oplettendheid welke hij geschonken had aan

het schoone meisje, terwijl hij alleen had moeten bezield zijn met de

vrome woorden van haar vader. Hij werd behandeld als iemand, die tegen

het licht gezondigd hebbende, niet anders verdiende dan ten prooi te

worden overgelaten aan den Vorst der duisternis.

Naarmate het noodlottige uur naderde, vermeerderde de angst door het

verfoeielijke bijzijn van den boozen geest veroorzaakt, en schijnbaar

werden de ingewikkelde sophismen, die hij tegen zijn slachtoffer

bezigde, hoe langer zoo minder te weerleggen. De jongeling miste de

kracht om de zekerheid van begenadiging, die hij koesterde, uit te

leggen, of om den zegerijken naam te noemen, waarop zijn vertrouwen

rustte. Zijn geloof evenwel begaf hem niet, ofschoon hij tijdelijk de

macht niet gevoelde om dat uit te drukken.

„Zeg wat gij wilt,” antwoordde hij den verleider; „ik weet, dat er

tusschen de omslagen van dit boek genoeg is, om mij vergiffenis te

verschaffen voor vroegere overtredingen en om mij de zaligheid te

schenken.”

Juist toen hij dit zeide, hoorde men de klok slaan, welke het

verstrijken van het noodlottige uur verkondigde. De spraak en de

verstandelijke vermogens van den jongeling keerden terstond terug. Hij

stortte zijn hart in het gebed uit, en drukte in vurige bewoordingen

zijn vertrouwen uit op de waarheid en het gezag der Heilige Schrift. De

booze geest, verslagen en teleurgesteld, verdween, terwijl de grijsaard

met tranen in de oogen binnentrad en zijn gast met zijne overwinning in

den zwaren strijd geluk wenschte.

Kort daarop trad de jongeling in het huwelijk met het schoone meisje,

dat op het eerste gezicht zulk een diepen indruk op hem gemaakt had, en

verder viel hun, volgens het verhaal, niets dan huiselijk geluk ten

deel. Op deze wijze eindigde de legende van Jan Mac Kinlay.

De schrijver van Waverley had zich de mogelijkheid voorgesteld om een

belangwekkend, en wellicht ook stichtelijk verhaal te kunnen

samenstellen uit de lotgevallen van een mensch, vooraf tot het ongeluk

gedoemd, wiens pogingen om goed en deugdzaam te zijn steeds verijdeld

werden door de tusschenkomst van het een of ander kwaadaardig wezen, en

die eindelijk zegevierend uit den zwaren strijd zou treden. Met één

woord: hij had iets bedacht dat eenige overeenkomst had in het ontwerp

met het verbeeldingsrijke verhaal van La Motte Fouqué, „Sintram en

zijne makkers” geheeten, ofschoon, al was het ook toen geschreven, de

schrijver het niet kende.

Het oorspronkelijke ontwerp is nog zichtbaar in de drie eerste

hoofdstukken van dit werk, maar bij nader overleg wijzigde de schrijver

zijn plan. Het scheen hem toe dat de sterrewichelarij, hoewel haar

invloed eenmaal door Bacon zelven erkend werd, thans niet meer krachtig

genoeg werkt op het volk om tot hoofdmotief van een romantisch verhaal

te strekken.

Bovendien was het niet te ontkennen, dat niet alleen meer talent

vereischt werd, dan de schrijver zich zelven toeschreef, om zulk een

werk behoorlijk uit te voeren, maar dat het ook leerstellingen en

twistvragen betrof van ernstiger aard dan zijn doel en zijn verhaal

paste.

Bij het veranderen van zijn plan echter, onder het afdrukken, behielden

de eerste vellen de sporen van het oorspronkelijk verhaal, hoewel ze nu

overvloedig en onnatuurlijk moeten schijnen. De reden van zulke

gebreken is echter verklaard en verontschuldigd.

Het is hier de moeite waard op te merken, dat terwijl de

sterrewichelarij algemeen in minachting is gevallen, en door bijgeloof

van grover en minder aanlokkelijken aard vervangen is, ze toch nog

heden ten dage eenige beoefenaren telt.

Een der meest opmerkelijke volgelingen dezer vergetene en verachte

wetenschap, was een beroemd goochelaar. Men zou zich verbeeld hebben

dat iemand van dezen aard, wegens zijne kennis van de veelvuldige

wijzen waarop het menschelijke oog bedrogen kan worden, minder dan

anderen vatbaar zou zijn geweest voor de verbeeldingen van het

bijgeloof. Wellicht echter dat het dagelijksch gebruik van die

ingewikkelde berekeningen, waardoor op eene voor hem zelven verrassende

wijze vele kunstjes met de kaarten uitgevoerd worden, dezen heer

verleidde om den loop der hemellichamen te berekenen, in de hoop om

zoodoende eenige profetische mededeelingen te ontvangen.

Hij trok zijn eigen horoscoop, volgens de regels der kunst, bij de

beste schrijvers over de sterrewichelarij te vinden. Aangaande het

verledene vond bij de uitkomsten geheel in overeenstemming met hetgeen

hij beleefd had; maar op het belangrijke punt van de toekomst opperde

zich een zonderling bezwaar.

Er waren twee jaren gedurende welke hij niet uitmaken kon of hij levend

of dood zou zijn. Verontrust door dit zonderlinge bezwaar, raadpleegde

hij een anderen waarzegger, die op gelijke wijze teleurgesteld werd. Op

éen oogenblik vond hij dat de belanghebbende zeker leefde; op een ander

dat hij onbetwistbaar dood was, – en voor een tijdvak van twee jaren

bleef het onzeker of hij werkelijk leefde dan overleden moest zijn.

De sterrewichelaar teekende deze merkwaardigheid in zijn dagboek op, en

bleef voortgaan met zijne vertooningen in verschillende deelen van het

rijk, tot het tijdvak, gedurende hetwelk de duur van zijn leven

gewaarborgd scheen, bijna verloopen was. Eindelijk, terwijl hij aan een

talrijk gehoor zijne bekende kunsten vertoonde, zag men, dat de handen,

wier vlugheid zoo dikwerf den nauwlettendsten toeschouwer gefopt had,

plotseling machteloos werden, de kaarten lieten vallen en hij zelf door

een beroerte verlamd werd. In dezen toestand kwijnde de kunstenaar twee

jaren lang en werd eindelijk door den dood verlost. Naar men zegt, zal

het dagboek van dezen hedendaagschen sterrewichelaar weldra in het

licht verschijnen.

Zoo de zaak naar waarheid verteld is, levert ze een van die toevallige

uitkomsten op, die men tusschenbeide waarneemt, en zonder welke

onregelmatigheden het menschelijke leven voor den sterveling, die in de

toekomst kijkt, niet in die ondoordringbare duisternis zou gesluierd

zijn, waarin het den Schepper behaagd heeft het te hullen.

Indien alles geschiedde volgens den gewonen loop der omstandigheden,

zou men de toekomst, even als de kansen bij het spel, aan rekenkunstige

regels kunnen toetsen. Maar buitengewone gebeurtenissen en

verwonderlijke uitkomsten bij het spel trotseeren de berekeningen der

menschen en ze verspreiden de diepste duisternis over de toekomst.

Een ander verhaal van nog latere dagteekening kan bij het bovenstaande

hier worden aangehaald. De schrijver ontving kort geleden een brief van

zekeren heer, die zeer bedreven is in dergelijke geheimzinnigheden, en

die het vriendelijke aanbod deed het horoscoop te trekken van den

schrijver van Guy Mannering, die waarschijnlijk ingenomen moest zijn

met de wetenschap, waarover hij schreef. Het was echter onmogelijk de

noodige opgaven te doen, al had men dit gewild, daar al diegenen welke

de bijzonderheden van dag, uur en minuut hadden kunnen opgeven, sedert

lang overleden zijn.

Na eenig denkbeeld te hebben gegeven van de eerste opvatting en de ruwe

schets van het verhaal, welke weldra veranderd werd, blijft den

schrijver nog over om, wat de tegenwoordige uitgave betreft, de

prototypen te vermelden van de hoofdpersonen in Guy Mannering.

Eenige plaatselijke omstandigheden verschaften den schrijver in zijne

jeugd de gelegenheid om iets te zien en veel te hooren van die klasse

van menschen, „heidenen, of Zigeuners” genoemd, die meestal van gemengd

ras zijn, uit de oude Egyptenaren, welke tegen het begin der vijftiende

eeuw naar Europa overstaken en uit landloopers van Europeesche

afstamming ontstaan.

De persoon naar wie Meg Merrilies geteekend is, was ongeveer het midden

der vorige eeuw wel bekend onder den naam van Jane Gordon, en bewoonde

het dorp Kirkyetholm, in de Cheviot-heuvels, aan de Engelsche grens. In

een der eerste nommers van Blackwood’s Magazine werd zij door den

schrijver in de volgende bewoordingen geschetst:

„Mijn vader herinnerde zich de oude Jane Gordon van Yetholm, die groote

macht bezat hij haren stam. Zij was in alle opzichten eene Meg

Merrilies en bezat de deugd der wilden – namelijk de getrouwheid – in

denzelfden hoogen graad. Daar zij dikwerf gastvrij ontvangen was in de

boerderij van Lochside, in de nabijheid van Yetholm, onthield zij zich

zorgvuldig van ooit iets te stelen, wat den boer toebeloorde. Maar hare

zonen (negen in aantal) waren niet, naar het schijnt, met dezelfde

kieschheid bezield, en stalen een varken, dat aan hun gastheer

toebehoorde. Jane was diep gegriefd over dit ondankbaar gedrag en bleef

dien ten gevolge vele jaren van Lochside weg.

„Met den tijd gebeurde het dat, wegens eenige tijdelijke ongelegenheid,

de boer van Lochside genoodzaakt werd naar Newcastle te gaan om geld op

te nemen om zijn huur te betalen. Dit gelukte hem, maar de nacht

overviel hem op de heuvels van Cheviot en hij raakte verdwaald.

„Een licht, dat schitterde door het venster van een groote schuur,

overgebleven van een vervallen boerderij, wees hem eene schuilplaats

aan; hij klopte aan en Meg Merrilies deed hem open.

„Hare zeer opmerkelijke gestalte, – zij was bijna zes voet lang, – en

hare eveneens in het oog vallende gelaatstrekken en kleeding deden hem

haar oogenblikkelijk herkennen, ofschoon hij haar in jaren niet gezien

had, en het was eene droevige verrassing voor den armen man, zulk een

wezen te ontmoeten op deze eenzame plek en waarschijnlijk in de

nabijheid van hare stamgenooten, daar hij het geld voor zijne huur bij

zich had en het verlies daarvan hem te grond gericht zou hebben.

„Jane begroette hem met vreugde. „Wel, wel! de brave boer van Lochside!

Ga zitten, ga zitten; – want nu ge onder het dak van een vriend zijt,

moogt ge heden avond niet verder gaan.” De boer moest dan ook afstijgen

en het aangeboden avondmaal en het nachtverblijf aannemen. Er was

vleesch genoeg op tafel, – hoe men er ook aan kwam; – alles scheen

voorbereid voor een ruim maal voor tien of twaalf gasten,

waarschijnlijk, zooals de boer zich voorstelde, tot hetzelfde slag van

menschen behoorende als zijne gastvrouw.

„Jane liet hem geen twijfel op dit punt. Zij herinnerde hem aan het

gestolen varken en vertelde hoezeer haar die zaak gegriefd had. Even

als andere wijsgeeren, merkte zij op, dat de wereld hoe langer hoe

slechter wordt, en even als andere ouders, dat hare kinderen aan hare

tucht ontgroeid waren en de oude wetten der Zigeuners schonden, die hun

voorschreven op hunne strooptochten het eigendom hunner weldoeners te

ontzien. Eindelijk vroeg zij hoeveel geld de boer bij zich had, en

verlangde, of liever beval hem haar zijne beurs toe te vertrouwen, daar

de kinderen, zoo als zij hare jongens noemde, weldra te huis zouden

zijn. De arme boer maakte uit den nood een deugd, vertelde wat hem

overkomen was en gaf het goud aan Jane in bewaring. Zij deed hem eenige

zilverstukken op zak steken, met de opmerking, dat het verdacht zou

schijnen als hij geheel zonder geld op reis was gegaan.

„Nadat dit geschied was, legde zich de boer te slapen op wat

beddelakens boven een strooleger gespreid; maar genoot, zoo als men

licht gelooven zal, weinig rust.

„Tegen middernacht keerde de bende terug met hun buit, en de

heldendaden door de dieven bedreven, werden besproken in taal, welke

den boer deed rillen. Het duurde ook niet lang, of zij ontdekten dat

zij een gast hadden, en zij verlangden van Jane te weten wie het was.

„Niemand anders dan de boer van Lochside, die arme sukkel,” hernam

Jane.

„Hij is naar Newcastle geweest om geld te zoeken om zijn huur te

betalen, als eerlijk man, maar heeft niets kunnen krijgen, en nu gaat

hij naar huis met een leege beurs en een zwaar hart.”

„Dat kan wel waar zijn, Jane,” hernam een der bandieten; „maar we

dienen toch eventjes zijne zakken te onderzoeken, en te zien of hij de

waarheid verteld heeft.”

Jane verzette zich luide tegen deze schennis der gastvrijheid, zonder

echter hen van hun voornemen te kunnen afbrengen, en de boer hoorde

weldra hoe zij naast zijn legerstede samen fluisterden en zijne kleeren

onderzochten. Zoodra zij het geld vonden, dat hij, volgens den raad van

Jane bij zich gehouden had, raadpleegden zij samen of zij het nemen

zouden of niet; maar de geringe som en Jane’s vermaningen deden hen

daarvan afzien. Zij keerden aan hun maal terug en legden zich daarop te

rust. Zoodra de dag aanbrak, waarschuwde Jane haar gast, haalde zijn

paard, dat zij achter de schuur goed verzorgd had, en bracht hem een

paar uren ver op weg naar Lochside. Daarop gaf zij hem al zijn geld

terug, en kon er niet toe gebracht worden zelfs een enkel goudstuk tot

belooning aan te nemen.

„Ik heb van bejaarde lieden te Jedburgh hooren vertellen, dat Jane’s

zonen allen op denzelfden dag dáar ter dood veroordeeld werden. Naar

men zegt was de Jury verdeeld, maar één van de leden, die gedurende de

discussie geslapen had, werd plotseling wakker en besliste voor den

dood met de krachtige woorden: „Knoopt ze allen op!” Eenparigheid van

stemmen werd bij eene Schotsche Jury niet vereischt en het „schuldig”

werd uitgesproken.

Jane was tegenwoordig en zei alleen: „de Heere sta den onschuldige bij

op een dag als dezen!” Haar eigen dood ging vergezeld van wreede

mishandelingen, die zij in vele opzichten geenszins verdiende. Onder

hare goede, of slechte hoedanigheden, zoo als de lezer verkiest,

behoorde die van eene trouwe aanhangster der Jacobieten te zijn. Zij

was, bij toeval, op een marktdag te Carlisle aanwezig, kort na het jaar

1746, en gaf lucht aan hare politieke neigingen op eene wijze, die het

grauw van de stad beleedigde. Daar zij even vurig waren in het uiten

van hunne koningsgezindheid, nu zulks geen gevaar meer bracht, als zij

vroeger lafhartig waren geweest in de overgave der stad aan de

Hooglanders in 1745, werd de arme Jane door het grauw gegrepen en

herhaaldelijk in de rivier Eden gedompeld, tot zij dood was. De

marteling duurde eenigen tijd, want Jane was eene forsche vrouw,

worstelde met hare moordenaars en kreeg het hoofd telkens boven water,

bij welke gelegenheid zij telkens „Leve ons Kareltje!” riep. Toen ik

als kind de tooneelen bezocht, waar zij bekend was geweest, heb ik

dikwerf deze verhalen gehoord en tranen gestort over het harde lot van

de arme Jane Gordon.

„Ten opzichte van deze grens-Zigeuners, kan ik nog mededeelen, dat toen

mijn grootvader over de zeer uitgestrekte Charleshouse-hei reed, hij

plotseling onder eene bende dezer lieden geraakte, die in eene holte,

door struiken omgeven, aan ’t feestvieren waren. Zij grepen dadelijk

zijn paard bij de teugels met luide welkomstgroeten, want hij was aan

bijna allen bekend; zij riepen luide, dat zij dikwerf op zijne kosten

gegeten hadden en dat hij nu hun gast moest zijn.

„Mijn grootvader was zeer ongerust, want, even als de boer van

Lochside, had hij meer geld bij zich dan wenschelijk was in zulk

gezelschap. Daar hij echter een onbevreesd, opgeruimd mensch was,

schikte hij zich naar de omstandigheden, en nam deel aan het maal,

bestaande uit allerlei wild, gevogelte, varkensvleesch enz., – de

vruchten van hun stelsel van algemeene plundering. Het feest werd zeer

vroolijk; maar mijn grootvader kreeg een wenk van eenige der oude

Zigeuners om zich te verwijderen, eer het te luidruchtig werd. Hij

beklom dus zijn paard, zonder afscheid te nemen, maar ook zonder de

minste schennis der wetten van de gastvrijheid te hebben ondervonden.

Naar ik meen was Jane Gordon ook hij dit feest aanwezig.” (Blackwood’s

Magazine, deel 1, blz. 54.)

Hoewel Jane’s zonen allen op het schavot stierven, werd zij overleefd

door eene kleindochter, die ik me herinner gezien te hebben; – dat wil

zeggen: even als Dr. Johnson eene flauwe herinnering koesterde aan

Koningin Anna, als eene deftige dame in het zwart, met diamanten, zoo

word ik vervolgd door eene plechtige herinnering aan eene vrouw van

meer dan gewone lengte, in een langen rooden mantel uitgedost, die onze

kennismaking inwijdde door mij een appel te schenken, maar die ik met

even veel eerbied beschouwde als den toekomstigen doctor en Tory van

latere tijden: de Koningin zelve. Ik geloof dat deze vrouw Madge, of

Margaretha Gordon was, van wie een indrukkend bericht gegeven wordt,

ook in Blackwood, maar door een anderen schrijver dan degeen, die over

hare moeder schreef:

„Madge Gordon werd toen beschouwd als de Koningin der Yetholm-Clans.

Zij was, naar wij meenen, eene kleindochter van de beroemde Jane

Gordon, en men zeide dat zij sterk op haar geleek. Nastaand bericht is

aan een vriend ontleend, die haar gedurende vele jaren kende en zeer

gunstige gelegenheden vond om de eigenaardigheden der Yetholm-stammen

na te gaan. Madge Gordon stamde van moeders zijde van de Faas af, en

was met een Young gehuwd. Zij was eene opmerkelijke vrouw, –

indrukwekkend van uiterlijk en bijna zes voet lang. Zij had een

grooten, krommen neus, – doordringende oogen, zelfs op haar ouden dag,

– ruig haar, dat van onder een strooien hoed over hare schouders hing,

– droeg een korten mantel, van zonderling maaksel, en een langen stok,

– bijna zoo lang als zij zelve was. Ik herinner me haar zeer goed;

iedere week bracht zij mijn vader een bezoek, om haar aalmoes te halen,

en als kleine jongen, beschouwde ik haar met niet weinig ontzag en

angst. Als zij driftig sprak (want zij knorde veel) sloeg zij met den

stok op den vloer en nam eene houding aan, die men onmogelijk met

onverschilligheid kon aanzien. Zij placht te zeggen, dat zij vrienden

halen kon van de meest verwijderde streken van het eiland om hare zaak

te omhelzen, terwijl zij zelve stil te huis kon blijven zitten, en zij

beroemde zich menigmaal er op, dat zij in vroegere tijden nog meer

aanzien bezeten had, daar er bij haar huwelijk vijftig opgetoomde ezels

waren geweest – en onopgetoomde zooveel, dat men ze niet tellen kon.

Als Jane Gordon de prototype van Meg Merrilies, moet Madge den

onbekenden schrijver, wat haar uiterlijk aangaat, tot model hebben

gezeten.” (Blackwood’s Mag., deel 1, blz, 56.)

De lezer ziet nu in hoever de slimme correspondent van Blackwood zich

vergiste, of niet.

Overgaande tot een karakter van geheel anderen aard, namelijk Dominé

Sampson, kan de lezer zich gemakkelijk voorstellen, dat een armoedig,

geduldig, nederig geleerde, die in zijne klassieke studiën goede

vorderingen heeft gemaakt en in de wereld niet vooruitkomt, op het

platte land geene zeldzame verschijning is, waar eene zekere

hoeveelheid geleerdheid gemakkelijk verkregen wordt door diegenen, die

bereid zijn om den wille van wat Latijn en Grieksch honger en dorst te

lijden. Maar van den waardigen Dominé bestaat er toch een veel

nauwkeuriger prototype, die tot model van de rol heeft gediend, welke

hij in den roman speelt, en van wien, om bijzondere redenen, het

noodzakelijk is slechts in zeer algemeene bewoordingen te spreken.

Een zoodanige leermeester als de heer Sampson, bekleedde werkelijk die

betrekking in het huisgezin van een zeer aanzienlijk heer. De jonge

lieden, zijne leerlingen, groeiden op en gingen de wereld in, maar de

leermeester bleef in het huisgezin; iets dat niet ongewoon was vroeger

in Schotland, waar kost en inwoning gaarne verstrekt werd aan nederige

vrienden en afhangers. De voorzaten van het hoofd des huizes waren

onvoorzichtig geweest; hij zelf was geduldig en ongelukkig. De dood

beroofde hem van zijne zonen, wier voorspoed tegen zijn eigen ongeluk

en onbekwaamheid had kunnen opwegen. De schulden vermeerderden en het

geld verminderde, tot de ondergang nabij was. Het landgoed werd

verkocht en de grijsaard stond op het punt zijn vaderlijk erf te

verlaten, – om, hij wist niet waarheen te gaan, toen hij, even als een

oud meubelstuk, dat in den hoek ongestoord langen tijd kan blijven

staan, maar ineen valt zoodra men het verzetten wil, door een beroerte

getroffen op zijn eigen drempel dood viel.

De leermeester ontwaakte als uit een droom. Zijn patroon was dood, en

het eenig overgebleven kind van zijn patroon was eene bejaarde dame, nu

niet meer aanvallig noch schoon, als zij het ooit geweest was, en thans

eene hopelooze van alle middelen beroofde weeze.

Hij sprak haar aan bijna in de woorden door Dominé Sampson tot

mejufvrouw Bertram gericht, en gaf zijn besluit te kennen om haar nooit

te verlaten. Op deze wijze geprikkeld om gebruik te maken van talenten,

welke sedert lang gesluimerd hadden, richtte hij eene kleine school op

en onderhield de dochter van zijn patroon voor het overige van haar

leven, terwijl hij haar steeds behandelde met denzelfden nederigen

eerbied en die oprechte toegenegenheid, welke hij haar in gelukkige

dagen bewezen had.

Dit is de omtrek van het verhaal van Dominé Sampson, waarin noch iets

romantisch noch eenige sentimentaliteit te vinden is, maar die wellicht

wegens de rechtschapenheid en eenvoudigheid van harte, welke ze doet

kennen, den lezer boeien en treffen zal, evenzeer alsof de rampen

geschilderd werden van een verhevener of waardiger karakter.

Deze voorafgaande bijzonderheden betreffende het verhaal van Guy

Mannering en de daarin voorkomende personen, zullen misschien den lezer

en den schrijver de moeite uitwinnen, om eene lange reeks van

onsamenhangende aanteekeningen op te stellen, of te lezen. Ik moet er

bijvoegen, dat de spreuk vóor dezen roman geplaatst, ontleend is aan

het „Lied van den laatsten der Menestreelen,” om de gevolgtrekkingen

van diegenen te voorkomen, die begonnen zich te verbeelden, dat, daar

de schrijver van Waverley nooit de werken van Sir Walter Scott

aanhaalde, daarvoor reden bestaan moest, en dat juist die omstandigheid

bewijzen moest, dat tusschen beiden identiteit bestond.

Abbotsford, 1 Augustus 1829. W. S.

GUY MANNERING

OF

DE STERREWICHELAAR.

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 2 / 75 题