PRINSES. En wist gij, wat gij deedt?
KONING. Zeer goed, prinses.
PRINSES. Beken dan meer, ga door.
Wat ruischtet gij uw dame toen in 't oor?
KONING. Dat ik haar hooger eer dan iets ter aard.
PRINSES. Gij gaat terug, als zij uw hulde aanvaardt.
KONING. Neen, op mijn eer, neen, neen!
PRINSES. O stil toch, stil!
Na éénen meineed zweert men wat men wil.
KONING. Veracht mij, zoo ik dezen eed ooit breek.
PRINSES. Ik zal 't; dus, houd hem.--Rosaline, spreek,
Wat fluisterde u de Rus wel in het oor?
ROSALINE. Hij zwoer mij, jonkvrouw, dat hij mij verkoor
Ver boven 's werelds schatten, 't licht der oogen;
Hij voegde er bij: ik zou zijn gade zijn,
Of hij verkwijnde en stierf van minnepijn.
PRINSES. God schenke u heil met hem! De vorst houdt wis
Zijn mannewoord, dat zoo bezworen is.
KONING. Hoe meent gij dit? 'k Verpand mijn eer: ik deed,
Neen nooit, aan deze jonkvrouw zulk een eed.
ROSALINE. Bij God, gij deedt het; met uw eigen hand
Gaaft gij mij dit; maar neem het weer, uw pand.
KONING. Dit, en mijn woord, ik gaf ze aan de prinses;
Aan de' armband daar kende ik mijn hartvoogdes.
PRINSES. Vergeef mij, dit kleinood droeg zij zoo even;
Mijn ridder is Biron, voor heel zijn leven.--
Aanvaardt gij mij, of wilt ge uw paar'len weer?
BIRON. Noch 't een noch 't ander; al te groot is de eer.--
'k Doorzie het spel; er was hier een complot,
Dat lucht kreeg van ons plan, en dit door spot
In 't riet stuurde als een vastenavondspel.
Een nieuwtjesventer, vleier, schuddebel,
Voorsnijder, grappensmid, die zijn gelaat
In rimpels heeft gegrinnikt, met zijn praat
Zijn meesteres begoochelt, tot zij lacht,
Die heeft vooraf ons plan aan 't licht gebracht;
De panden werden fluks verruild; en wij
Aanbaden, blind, voor 't lief, haar snuisterij.
O schrik! tweemaal meineedig! neergebogen
Door dubb'le schuld, eens willens, nu bedrogen!
Zoo is 't;--(Tot Boyet.) En gij, kondt gij dit valsch'lijk zweren 472
En die mislukte mommerij niet keeren?
Kent gij de voetmaat van uw jonkvrouw niet?
En ziet gij haar bij 't lachen niet steeds aan?
En als gij schertsend haar een schotel biedt,
Gaat gij dan niet steeds voor den vuurgloed staan?
De page kwam; gij bracht hem in de war!
Nu, 't is uw vak, ga voort en sterf als nar!
Gij grijnst mij aan? die blik van u,--'t is mooi!--
Snijdt als een looden zwaard.
BOYET. Een fraai tournooi!
De rit was goed, goed tot het eind der baan.
BIRON. Zie, zie, hij velt de lans!--Nu, 'k heb gedaan.
(Dikkop komt op.)
Welkom, gij echt vernuft! gij scheidt een schoon gevecht.
DIKKOP. O Heer, ik had gaarne van u vernomen,
Of de drie dappere Helden nu op moeten komen.
BIRON. Wat! zijn er dan maar drie?
DIKKOP. Neen, heer, sta niet verlegen;
Want ieder hakteert er voor drie.
BIRON. En driemaal drie is negen.
DIKKOP. Dat niet, heer; 'k hoop van niet; vergun mij, 'k ben het
reek'nen niet vergeten;
Wij zijn niet onnoozel, heer, dit zeg ik u; wij weten, wat wij weten;
Ik hoop, heer, dat driemaal drie, heer--
BIRON. Wat! niet negen is?
DIKKOP. Onder verbetering, heer, wij weten, hoeveel het bedraagt.
BIRON. Nu, ik dacht altijd, driemaal drie is negen.
DIKKOP. Lieve God, heer, als gij met rekenen uw brood moest verdienen,
dan was het er droevig mee gesteld.
BIRON. Hoeveel is het dan?
DIKKOP. O heer, de personen zelf, de hakteurs, heer, zullen u wel laten
zien, hoeveel het is; ik voor mijn part, ik moet, hebben zij gezegd,
maar één persoon met mijn geringe persoon presiteeren:--Bombejus de
Groote, heer.
BIRON. Zijt gij dus één van de helden?
DIKKOP. Zij hebben goedgevonden, dat ik wel een held als Bombejus de
groote kon wezen; ik voor mijn part weet den rang van den held niet,
maar ik moet voor hem instaan.
BIRON. Ga; maak u gereed en waarschuw de rest.
DIKKOP. Wij brengen het er mooi af, heer; wij doen wel een beetjen
ons best.
(Dikkop af.)