BIRON. Wij zijn door de schande heen en wij krijgen een beter roep,
Indien er nog slechter acteurs zijn dan de koning en zijn troep.
KONING. Neen, zeg ik, weg daarmee!
PRINSES. Neen, waarde heer, word overreed; een spel,
Dat geen der spelers spelen kan, slaagt wèl,
Als ijver zwoegt om bijval te verwerven
En ijver juist het heele stuk doet sterven;
't Vermaak is groot, als zotheid de' ernst bewaart,
De berg een muis, na zwaren arbeid, baart.
BIRON. Een juiste schild'ring van ons spel, mijn vorst!
(Armado komt op.)
ARMADO. Gezalfde, ik smeek u zoo veel mededeeling van uw koninklijken
adem af, als noodig is om een koppel woorden van u uiting te geven.
(Armado spreekt zacht met den Koning, en overhandigt hem een papier.)
PRINSES. Is dit een man, die God dient?
BIRON. Van waar die vraag?
PRINSES. Hij spreekt niet als een mensch van Gods maaksel.
ARMADO. Het komt alles overeen uit, mijn schoone, liefelijke
honig-monarch; want ik bezweer het u, de schoolmeester is buitengemeen
phantastisch, al te, al te ijdel; al te, al te ijdel; doch laat ons dit
overlaten aan de fortuna della guerra, zooals men pleegt te zeggen.--Ik
wensch u den vrede des gemoeds, allerkoninklijkst dubbelgesternte!
(Armado af.)
KONING. Dit belooft een prachtige heldenvertooning te worden. Hij
stelt Hector van Troje voor, de boer Pompejus den Grooten, de
dorpsgeestelijke Alexander, Armado's page Hercules, de schoolpedant
Judas Maccabæus;
En oogsten die vier helden veel lof in 't eerste bedrijf,
Dan wiss'len die vier van kleed'ren en spelen de and're vijf.
BIRON. In 't eerste bedrijf zijn er vijf, zoo 'k gis.
KONING. Neen, neen, maar vier; dit hebt gij mis.
BIRON. De schoolpedant en de blaaskaak, de preekheer, de nar en
de jongen;
Niets boven de vijf in 't novem, maar anders vindt gij schier
Ter wereld zulke vijf niet, een elk op zijn manier.