PRINSES. Gij ziet onthutst; zijt gij niet wel, mijn vorst? 391

ROSALINE. Help! steun hem, hij bezwijmt. Waarom zoo bleek?--

Zeeziek misschien, wijl hij van Moskou komt.

BIRON. Zoo straft den meineed streng een wrekend God!

Welk voorhoofd van metaal, dat dit weerstaat?

Hier sta ik, jonkvrouw; richt op mij uw spot,

Kwets mij met hoon, verpletter mij door smaad!

Doorboor met fijn vernuft mijn onverstand;

Snijd mij in stukken met uw scherpen geest;

En nimmer vraag ik voor een dans uw hand,

En Russisch minnaar ben ik ééns geweest.

Op geen geschreven toespraak bouw ik meer;

Schooljongenstongen wil ik diep verachten;

'k Vermom mij nimmer voor mijn liefste weer;

Noch rijm, als blinde harp'naar, minneklachten;

Tafbloempjes, zijden phrasen, glans-tiraden,

Fluweelen grootspraak, schoolsche hemelval,

Al deze zomervliegen wekten maden

Mij in het brein, en vulden 't gansch en al.

'k Zweer alles af en thans zeg ik voor eens,

Bij dezen handschoen van nog blanker hand:

Alleen met linnen ja's en baaien neens

Zijn nu voortaan mijn liefde en trouw verpand;

En ik begin nu: "heksje,--help mij God!--

Ik min u teer en trouw, spijt scherts en spot."

ROSALINE. 'k Wensch minder letterspel.

BIRON. 't Is slechts een vlaag

Van de oude kwaal; ik bid u dus, verdraag

Een feil, die slijten zal. Maar zie eens, zie,

Roep Gods erbarmen in voor deze drie.--

Zij zijn besmet, in 't hart, gij staakt hen aan;

Uw oogen hebben hun dit aangedaan;

Zij hebben 't weg; doch, naar ik zie, bleeft gij,--

(Hij wijst op de geschenken.)

Uws heeren teekens zeggen 't,--ook niet vrij.

ROSALINE. Nu, vrij en gul is elk, die zoo kan geven.

BIRON. Gevang'nen zijn wij, ja! voor heel ons leven.

ROSALINE. Meer vrij dan wij; en zoo gij vrijer zijt,

Hoe zegt gij dan, wij zijn de vrijheid kwijt?

BIRON. Ik ben geboeid door u en staak den strijd.

ROSALINE. Ik houd u niet, dus loop waarheen gij wilt.

BIRON (tot den Koning). Spreek gij voor u; ik heb mijn geest verspild.

KONING. Ons zwaar vergrijp, mejonkvrouw, zij geboet;

Leer gij ons hoe.

PRINSES. Bekennen staat u goed.

Zijt gij zoo juist niet hier geweest, verkleed?

Veel Gemin, geen Gewin · 第 47 / 73 题