BOYET. Dit wil ik doen, en 'k weet, dat zij het doet.
(Boyet af.)
BIRON. Die schelm pikt geest op als de duif een boon,
En geeft dien weer, ziet hij de kans maar schoon.
Marskramer in vernuft, vent hij zijn waar
Bij burger, boer, op kermis, markt, hier, daar;
En ons, die hand'laars zijn in 't groot, bij God,
Bij ons gaat de verkoop niet half zoo vlot;
De meisjes zijn als schaapjes, die hij weidt;
Als Adam had hij Eva wis verleid.
Voorsnijden kan hij, lisp'len ook; hij is 't,
Die door hoofsch kussen al zijn vingers mist;
Hij is een smaakvolle aap, een monsieur Sierlijk,
Ja, als hij dobbelt, scheldt hij recht manierlijk
De steenen uit; hij zingt sopraan-tenoor,
En niemand stelt aan 't hof zoo hoff'lijk voor;
Geen dame, die hem niet "de lieve" heet;
Zijn voeten kust de trap, die hij betreedt.
Hij is een bloem, die ieder tegenlacht,
En toont daarmee zijn elpen tandenpracht.
Wie zonder schuld wil sterven in zijn bed,
Geeft hem zijn recht met "honigtong Boyet".
KONING. Nu, 'k wenschte, waar' zijn honigtong behekst!
Die bracht Armado's page van zijn tekst.
(De Prinses komt met Rosaline, Maria, Catharina
en Gevolg terug, voorgegaan door Boyet.)
BIRON. Ziet hèm weer! Hoofschheid, wat waart gij voor dezen,
Wat nu, sinds hij aan de aard u heeft gewezen!
KONING. Veel heil en zegen zij uw deel, vorstin!
PRINSES. Met zegens vischt men niet te land, zoo meen ik.
KONING. O, vat mijn zeggen op in beet'ren zin!
PRINSES. Uit beet're wenschen, en gehoor verleen ik.
KONING. Wij bidden u, ons slot nu te betreden;
En u daarheen te leiden, is ons plan!
PRINSES. Ik houd me aan 't park; houd gij u aan uw eeden!
Noch God noch mij behaagt een trouwloos man.
KONING. O gisp ons niet, door u zijn wij bezweken;
De deugd, uw oog ontstraald, verbrak onze' eed.
PRINSES. Gij smaalt de deugd, en moest van ondeugd spreken;
Geen deugd, die ooit tot trouwbreuk overreedt.
Ja, bij mijn maagdlijke eer, zoo onbesmet
Als 't blank der reinste lelie, hoor mij aan:
Eer ik een voet in uwe huizing zet,
Zou ik de wreedste mart'lingen doorstaan;
Zoo schrikk'lijk ware 't mij, de grond te heeten,
Dat and'ren ooit hun heil'gen eed vergeten.
KONING. Gij leeft hier, ach! als in een woestenij,
Onzichtbaar, onbezocht, tot onze schande. 358
PRINSES. Dit niet, mijn vorst! dit niet, geloof dit vrij;
Wij vonden scherts en kortswijl hier te lande.
Zoo even waren nog vier Russen hier.
KONING. Vier Russen, jonkvrouw?
PRINSES. Ja, voorwaar, mijn vorst,
Recht hoff'lijk, prachtig uitgedost, en fier.
ROSALINE. Prinses, spreek toch de waarheid.--Neen, mijn vorst,
Beleefd, en naar den smaak van tijd en hof,
Schonk mijn meest'res daar onverdienden lof.
Waar is 't, er kwamen bij ons vieren vier,
Als Russen uitgedost; en praatten hier
Een uurtje lang, en veel; maar geen vroed woord
Werd in dat uur uit hunnen mond gehoord.
'k Noem hen geen narren, neen; maar ik vermoed,
Zoo 't hùn dorst, dan doet drinken narren goed.
BIRON. Een droge scherts.--O lieve schoone, uw geest
Maakt wijsheid dwaas;--elk oog, dat onbevreesd,
Hoe scherp ook, 's hemels vurig oog durft groeten,
Zal door verlies van licht dit licht-zien boeten;
Zoo schijnt, naast uwe kostb're geestesgave,
Het wijste dwaas, en arm de rijkste have.