PRINSES. Weg, ziekte, die gij zijt!
ROSALINE. Van dorpers hoort men vaak een gladder taal.
Doch weet: mij heeft de koning trouw gezworen.
PRINSES. Biron verpandde mij zijn mannewoord.
CATHARINA. En Longaville is voor mijn dienst geboren.
MARIA. Dumaine is mijn, zoo schors den boom behoort.
BOYET. Prinses en schoone dames, hoort mij aan:
Zij zullen zoo terstond weer voor u staan,
En onvermomd, want nimmer,--weet dit wel,--
Getroosten zij zich kalm een hoon, zoo fel.
PRINSES. Zij komen weer?
BOYET. Ja, ja, hoe kunt gij 't vragen?
En lustig springend, schoon pas lam geslagen.
Ruilt dus uw panden; en,--zoodra ze er zijn,--
Ontluikt als rozen in den zonneschijn.
PRINSES. Ontluikt, ontluikt? Geef ons geen raadsel op!
BOYET. Vermomd, zijn schoonen rozen, maar in knop;
Doch zoo zij zonder masker lieflijk blozen,
Zijn ze eng'len zonder wolk, ontloken rozen.
PRINSES. Loop heen, gij sphinx!--Maar wat nu te beginnen,
Als zij ontmomd hier keeren om te minnen?
ROSALINE. Mij dunkt, prinses, nog eens den spot gedreven,
Of zij vermomd zijn of bekend, om 't even!
Wij klagen van 't bezoek, aan ons gebracht,
Door Muscovieten, in een dwaze dracht;
En gissen niet wie toch die narren waren,
Met zulk een niets-proloog, met die gebaren,
Zoo plomp en ruw, en waartoe onze tent
Met zulk vertoon bezocht werd door die bent.
BOYET. De helden komen; haast u, heengesneld!
PRINSES. Wip, wip, en weg! als reeën over 't veld.
(De Prinses, Rosaline, Catharina en Maria af.)
(De Koning, Biron, Longaville en Dumaine komen weder op,
in hun gewone kleeding.)
KONING. Behoede u God, heer!--waar is de prinses?
BOYET. Ze is in haar tent. Behaagt het uwe hoogheid
Mij een'ge boodschap voor haar op te dragen?