LONGAVILLE. O deel het woord. 249

CATHARINA. Neen, 'k wil met u niets half.

Neem 't gansch en breng het tot een os dan groot.

LONGAVILLE. Uw spot gaf daar uzelf den ergsten stoot!

Gij horens geven, jonkvrouw? 't Zou niet passen.

CATHARINA. Sterf dan als kalf, aleer uw horens wassen.

LONGAVILLE. Ik sterv', maar zegge u eerst een woord in 't oor.

CATHARINA. Bulk zacht dan, dat de slager u niet hoor'!

(Longaville en Catharina wandelen voort.)

BOYET. Spotzieke deernen hebben tongen, fijn

Als scheermessneden, die onzichtbaar haar

Afmaaien en ook zelf onzichtbaar zijn;

Scherpzinnig, fijn, en onberekenbaar

Is haar gesprek, en haar vernuft heeft vleug'len,

Pijl-, kogel-, bliksem-snel, door niets te teug'len.

ROSALINE. Mijn meisjes, breekt nu af; geen woord nu meer!

BIRON. Gestriemd door spot! Verloren is onze eer.

KONING. Moge u, dol volk, uw dolheid nooit verdrieten!

(De Koning, Biron, Dumaine, Longaville, Mot, Muziek en Gevolg af.)

PRINSES. Twintig adieu's, bevroren Muscovieten!--

Stak geest voor deze bent zijn loftrompet?

BOYET. 't Zijn kaarsen, door uw adem uitgeblazen.

ROSALINE. Wat weldoorvoede geest! plomp, plomp, vet, vet!

PRINSES. O poov're geest! armzaal'ge koningsphrasen!

Zegt, zouden zij niet fluks zich op gaan hangen,

Of gaan zij zonder masker ooit nog uit?

Biron, die schelm, wist niet wat aan te vangen!

ROSALINE. Aan wanhoop was de gansche troep ten buit!

De koning weende schier, om geest verlegen.

PRINSES. Bij 't zweren wrong Biron zich scheef en krom.

MARIA. Dumaine bood zijn dienst mij aan en degen;

Ik zeide: "trek!" toen bleef mijn dienaar stom.

CATHARINA. Het is aan 't hart, dat Longaville lijdt;

Hij noemde mij--raad, hoe?

PRINSES. Zijn hartekwaal?

Veel Gemin, geen Gewin · 第 42 / 73 题