KONING. Wilt gij niet dansen, praten wij dan meer. 228

ROSALINE. Bij paren dan.

KONING. O dit behaagt mij zeer.

(De Koning wandelt met Rosaline voort.)

BIRON. O leliehand, één zoet woord van uw mond!

PRINSES. Melk, honig, suiker, drie voor één terstond.

BIRON. Twee drieën dan; ik doe 't u aanstonds na:

Mee, most en sek.--'t Is goed geworpen, ja;

Een zoete zes!

PRINSES. Vaarwel dan, zoete zeven;

Niets meer! gij zijt me in 't dobb'len te bedreven.

BIRON. Één heim'lijk woord nog.

PRINSES. Dit zij dan niet zoet.

BIRON. Gij maakt mij gallig.

PRINSES. Bitter dus?

BIRON. 't Waar' goed.

(Biron en de Prinses wandelen voort.)

DUMAINE. Vergun mij 't wiss'len van een woord of twee.

MARIA. Spreek!

DUMAINE. Schoone jonkvrouw!

MARIA. Schoone cavalier!

Daar hebt ge er twee voor twee.

DUMAINE. O gun mij snel

Nog één vertrouw'lijk woord; en dan, vaarwel!

(Dumaine en Maria wandelen voort.)

CATHARINA. Uw masker heeft geen tong dus in den mond?

LONGAVILLE. 'k Weet, jonkvrouw, wel den grond, waarop gij 't vraagt.

CATHARINA. O vlug dan, spreek, heer! noem mij eens den grond.

LONGAVILLE. Wijl gij een dubbele in uw masker draagt;

Die wenschte ik in mijn stomme masker half.

CATHARINA. Recht fraaie vaerzen:--is niet vaars een kalf?

LONGAVILLE. Een kalf, mejonkvrouw?

CATHARINA. Neen, een jonkheer-kalf.

Veel Gemin, geen Gewin · 第 41 / 73 题