MOT. "Die ooit den blik naar mannenoogen keerden! 161
"Uit--uit--"
BOYET. Zoo, zoo; 't is uit, naar 't schijnt.
MOT. "Uit hemelgoedheid moge 't u behagen,
Niet aan te zien,"--
BIRON (ter zijde tot Mot). "Ons aan te zien", schavuit!
MOT. "Ons aan te zien met heerlijk zachten blik,--met heerlijk
zachten blik,--
BOYET. Zij vinden dit epitheton niet goed;
Eer moest gij zeggen: vrouw'lijk zachten blik.
MOT. Zij luist'ren niet, dit brengt mij in de war.
BIRON. Is dat uw wakker leeren? voort, schavuit!
ROSALINE. Wat wenschen deze vreemden? vraag 't Boyet.
Verstaan zij onze taal, dan melde een hunner
Eenvoudig weg, wat zij hier komen doen;
Vraag dit.
BOYET. Wat wenscht gij, spreekt, van de prinses?
BIRON. Een heuschen groet en vriendelijke ontvangst.
ROSALINE. Wat is, naar wat zij zeggen, hun verlangst?
BOYET. Een heuschen groet en vriendelijke ontvangst.
ROSALINE. 'k Verleen die beide; dat ze in vrede gaan!
BOYET. Zij zegt, die hebt gij, en kunt gaan in vrede.
KONING. Meld haar, wij maten vele, vele mijlen herwaarts,
Om 't veld hier maatvast met haar rond te gaan.
BOYET. Zij zeggen: vele mijlen maten ze af
Om 't veld hier maatvast met u rond te gaan.
ROSALINE. Dit is zoo niet. Maar vraag hun, hoeveel duim
Één mijl bevat; zoo zij er vele maten,
Is dit van ééne mijl terstond gezegd.
BOYET. Hebt ge op uw reize mijlen uitgemeten,--
En vele mijlen,--dan vraagt de prinses,
Te zeggen, hoeveel duim één mijl bevat.
BIRON. Zeg haar, wij maten die met moede schreden.
BOYET. Zij hoort u zelve.
ROSALINE. Hoevele moede schreden,
Bij vele moede mijlen, die gij gingt,
Hebt gij bij 't reizen in één mijl geteld? 197
BIRON. Wij tellen niets, wat wij om u verrichten;
Ons plichtsbesef is zoo onmeet'lijk rijk,
Dat wij dit zonder reek'nen kunnen kwijten.--
Gun ons den zonneschijn van uw gelaat,
Opdat wij, als de wilden, dien aanbidden.
ROSALINE. Een maan is 't, en bewolkt: geen zweem van schijn.
KONING. O zaligheid, een wolk als die te zijn!
Maar schijn, o maan, met deze uw sterren, hel,
Van wolken vrij, op onzer tranen wel.
ROSALINE. Wensch beter! dit is ijdel klankgeklater;
Wat vraagt gij dan wat maneschijn op 't water?
KONING. Zoo wissel dansend passen met uw gast;
Gij zegt mij, vraag! die bede is wel gepast.
ROSALINE. Het zij; muziek! Maar vang gij daadlijk aan.
(De muziek begint.)
Nog niet?--Geen dans dan!--'k Wissel als de maan.
KONING. Nu weer geen dans? waarom zoo streng en straf?
ROSALINE. 't Was juist daar volle maan; nu neemt zij af.
KONING. Toch blijft zij steeds de maan, en ik de man.
Hoor die muziek; laat haar beweging groeten.
ROSALINE. 'k Begroet haar met mijn oor.
KONING. Doe 't met de voeten.
ROSALINE. Gij zijt hier vreemd; en daarom zijn wij thans
Niet preutsch; reik ons de hand;--neen, neen, geen dans!
KONING. Gij reikt de hand?
ROSALINE. Tot afscheids-gunstbetuiging;--
De dans is uit; nu, meisjes, volge uw buiging.
KONING. Geef nog wat toe; wat karig gunstbewijs!
ROSALINE. Neen, gij bekomt niets meer voor dezen prijs.
KONING. Gij prijst uzelf? Wat koopt uw vriendschap dan?
ROSALINE. Uw heengaan slechts.
KONING. Het een'ge, wat niet kan.
ROSALINE. Geen zaken dus. En ons vaarwel volgt nu,
Een dubbel voor uw mom, een half voor u.