PRINSES. Wat, geen paar? hoe nu?
CATHARINA. Gewis, een paar, mejonkvrouw en dan nog.
Veel duizend verzen, vol verliefd bedrog,
Van eeuw'ge trouw,--maar alles huich'larij;
Bijeengeflanst, schijndiepe zotternij!
MARIA. Die paar'len zendt mij Longaville, en dit:
Een brief, een mijl te lang en zonder pit.
PRINSES. Dit zal wel zijn. Gij wenschtet,--biecht het maar,--
Dat die recht kort, het snoer veel langer waar'?
MARIA. Zoo is 't; ik deelde 't, wierd het dan te zwaar.
PRINSES. Hoe wijs, met onze aanbidders zoo te spotten!
ROSALINE. Die spot zoo koopen, zijn nog grooter zotten.
'k Hoop dien Biron hier nog de wiek te knotten!
O hadde ik hem ook maar een week tot slaaf!
Hoe zou hij kwisp'len, hijgen van 't gedraaf,
Naar 't oog mij zien, mij smeeken, stott'ren, lijmen,
Zijn geest verkwisten in onnutte rijmen,
Mij dienen op mijn wenk, op mijn gedachte,
Er trotsch op zijn, als ik hem trotsch belachte!
Ik zou hem met mijn oogen zoo belezen,
Dat ik zijn noodlot, hij mijn nar zou wezen.
PRINSES. Niets loopt zoo in den val, als wijsheid doet,
Die dwaas werd; dwaasheid, die een wijze voedt,
Vindt kracht in wijsheid, wetenschap en geest;
Wàt nar genot schenk', de geleerde 't meest.
ROSALINE. Geen jeugdig bloed, dat zoo ontvlamt, zoo raast
Als deftigheid, door dartelheid verdwaasd.
MARIA. Van minder merk is dwaasheid in de dwazen,
Dan in den wijze, wiens vernuft gaat razen;
Want al zijn kracht wendt het vernuft dan aan,
Om, hoe verdwaasd, voor wijs nog door te gaan.
PRINSES. Daar komt Boyet: zie hoe hij zich verkneukelt.
(Boyet komt op).
BOYET. Prinses, o, 'k ben van 't lachen schier gestikt.