ROSALINE. Gij haat hem, ja; wijl hij uw zuster doodde. 13

CATHARINA. Hij maakte 't hart haar droevig, zwaar, bekommerd:

Daar stierf zij aan; waar' zij als gij geweest,

Zoo licht en lucht van hart, zoo dol en dartel,

Zij had het wis tot grootmama gebracht,

Als gij; want lichte harten leven lang.

ROSALINE. Wat, lieve, is 't duist're doel van 't lichte woord?

CATHARINA. Een licht gemoed, in donk're schoonheid stralend.

ROSALINE. 'k Behoef meer licht voor 't vatten van uw meening.

CATHARINA. Dan snooft gij in uw drift het licht wis uit;

'k Wil daarom het bewijs in 't donker laten.

ROSALINE. Ja, wat gij doet, gij laat het staâg in 't donker.

CATHARINA. Gij niet, 't is waar; wie licht is, kan dit niet.

ROSALINE. Wees gij zoo zwaar gij wilt, mij zal 't niet deren.

CATHARINA. U niet? Nu, dan weeg ik niet zwaar bij u.

ROSALINE. Iets wat niet deugt, zal nimmer bij mij wegen.

PRINSES. Nu, beiderzijds den bal wèl toegekaatst!--

Maar Rosaline, ook gij hebt een geschenk;

Van wien is 't? wat?

ROSALINE. Ik wenschte, dat gij 't wist;

Al ware mijn gelaat zoo schoon als 't uwe,

Dan waar' de gaaf nog groot; zie slechts en oordeel.

Ja, en ook verzen heb ik, dank Biron!

De versmaat juist; en, is de telling 't ook,

Dan is er geen godin, zoo schoon, op aard;

Aan twintig duizend schoonen won ik 't af.

O, in zijn brief is mijn portret geteekend!

PRINSES. En is 't zoo wat gelijkend?

ROSALINE. Het schrift zeer goed, de lof niet in het minst.

PRINSES. Zoo schoon als inkt dus; nu, een juist besluit.

CATHARINA. Schoon, stralend als een groote B in 't schrijfboek.

ROSALINE. Een letterstrijd? gerust maar, ik betaal,

Mijn gouden letter, roode initiaal!

Hoe jammer, al die O's op uw gelaat!

PRINSES. Krijg zelf de pokken, zoo uw jok haar smaadt!--

Wat, Catharina, zond Dumaine aan u?

Veel Gemin, geen Gewin · 第 35 / 73 题