In het park, voor de tent der Prinses.
De Prinses, Catharina, Rosaline en Maria komen op.
PRINSES. Nu, meisjes, eer we op reis gaan, zijn wij rijk,
Als zooveel kermisgaven op ons reeg'nen;
Een jonkvrouw, gansch omschanst met diamanten!--
Kijkt, wat mij de verliefde koning zendt!
ROSALINE. En heeft uw hoogheid niets er bij gekregen?
PRINSES. Niets anders? zeker: zooveel liefde op rijm,
Als op een vel papier is saâm te dringen,
Ter wederzij beschreven, rand en alles,
Zoodat hij op Cupido's naam moest zeeg'len.
ROSALINE. Zoo kwam in 't eind zijn godd'lijkheid tot wasdom,
Die steeds, vijf duizend jaar, een knaapje bleef.
CATHARINA. Ja juist, en een recht booze galgeschelm.