HOLOFERNES. De pronomina? Ik--

MOT. --schaap, gij schaap, en zoo vervolgens.

ARMADO. Nu, bij de zilte baren der Middellandsche Zee, een aardige

stoot en een kostelijke uitval van den geest! Snip, snap; stoot en

raak! Het verlustigt mijn intelligentie; echte geest!

MOT. Van een jong lam tegen een ouden ram; ja, ja!

HOLOFERNES. Wat is dat voor een allusie, voor een figuur?

MOT. Een gehoornde.

HOLOFERNES. Gij disputeert als een infans. Ga uw tol liever drijven.

MOT. Leen mij uw hoorn, om er een uit te maken, en ik zal uw schande

rondzweepen, circum circa. Een tol van zulk een hoorn!

DIKKOP. Als ik maar één stuiver in de wereld had, dan zoudt

gij hem hebben om peperkoek te koopen. Hier, daar hebt gij de

eigenste remuneratie, die ik van uw meester gekregen heb, gij

halve-stuiversbeurs van geest, gij duivenei van slimmigheid. O, als

het den hemel behaagd had, dat gij al was het maar mijn basterd waart,

welk een gelukkig vader zoudt gij mij maken! Ga voort; gij hebt het

ad ongelem, gij zuigt het uit uw duim, zooals men zegt.

HOLOFERNES. Ha! daar ruik ik vervalscht Latijn, ongelem voor unguem.

ARMADO. Vrijekunsten-man, proeambula; wij willen afgezonderd van de

barbaren zijn. Leidt gij de jeugd niet op in het opvoedingsgesticht

op den top des bergs?

HOLOFERNES. Of montis, des heuvels.

ARMADO. Naar uw liefelijk welgevallen, wat den berg betreft.

HOLOFERNES. Alzoo doe ik, zeker, senza dubbio.

ARMADO. Mijn heer, het is des konings hoogstliefelijk welgevallen

en affectie, de prinses in haar paviljoen te congratuleeren tegen

de posteriora van dezen dag, wat de onbeschaafdheid der menigte den

achtermiddag noemt.

HOLOFERNES. De posteriora van den dag, zeer grootmoedige heer,--dit

is verantwoordelijk, congruent en toepasselijk voor achtermiddag; het

woord is welgekozen, uitgelezen, liefelijk en geschikt; ik verzeker

het u, heer, ik verzeker het u. 99

ARMADO. Mijn heer, de koning is een echt edelman en mijn intimus;

dit kan ik u verzekeren, goede vriend.--Wat onze vertrouwelijkheid

aangaat, zwijgen wij daarover;--ik bid u, neem uw hoffelijkheid

met den geest in acht; ik bid u, omhul uw hoofd!--en onder andere

dringende en hoogst gewichtige plannen,--en van groote belangrijkheid,

inderdaad, bovendien,--maar zwijgen wij daarvan;--want ik moet zeggen,

dat het zijne genade,--bij het heelal, ja!--somwijlen behaagt op

mijn nederigen schouder te leunen, en met zijn koninklijken vinger,

aldus, te spelen met den uitwas mijner lippen, met mijn knevel; maar,

lieve hart, zwijgen wij daarvan. Bij het heelal, ik vertel geen fabel;

ettelijke bijzondere eerbewijzen behaagt het zijner grootheid toe te

deelen aan Armado, den soldaat, den veelbereisden man, die de wereld

gezien heeft; maar zwijgen wij daarvan.--De summa van de geheele som

is,--maar, lieve hart, ik smeek u om uw stilzwijgendheid,--dat de

koning verlangt, dat ik de prinses, dat gesuikerd lam, op eenige

vermakelijke vertooning, of voorstelling, of oogenverlustiging,

of klucht, of vuurwerk regaleer. En nu, nademaal ik vernomen heb,

dat de geestelijke hier en uw eigen liefelijke persoon u verstaat op

dusdanige erupties en plotselinge ontploffingen van vroolijkheid,

om zoo te zeggen, zoo heb ik u hiervan in kennis willen stellen om

uw bijstand in te roepen.

HOLOFERNES. Mijn heer, gij moet "de negen helden" voor haar laten

optreden.--Heer Nathanaël, ten opzichte van een tijdverdrijf, een

vertooning voor de posterioribus van dezen dag, te bewerkstelligen met

uw bijstand,--op verlangen van den koning en van dezen zeer dapperen,

doorluchtigen en geleerden edelman,--ten aanschouwe van de prinses,

zeg ik, is niets zoo geschikt als de negen helden te laten optreden.

NATHANAëL. Waar wilt gij dan de mannen vinden, heldhaftig genoeg om

ze te laten optreden?

HOLOFERNES. Jozua, gijzelf; ikzelf of deze dappere edelman, Judas

Maccabæus; deze boer,--uit hoofde zijner groote leden oftewel

schonken,--moet Pompeius den grooten voorstellen; de page, Hercules.

ARMADO. Vergeef, heer: een dwaling; hij is niet quantiteit genoeg

voor den duim dezes helds; hij is niet zoo dik als het uiteinde

zijner knots.

HOLOFERNES. Mag ik om gehoor verzoeken? Hij moet Hercules als zuigeling

voorstellen; zijn opkomen en zijn heengaan zal zijn het verwurgen eener

slang, en ik zal te dien behoeve een apologie vervaardigen. 143

MOT. Een heerlijke inval! Als dan een van de toeschouwers sist, kunt

gij roepen: "Goed zoo, Hercules! nu verbrijzelt gij de slang! Dit

is de manier om aan een gebrek de hand boven het hoofd te houden,

schoon weinigen er handig genoeg toe zijn.

ARMADO. En het overschot der helden?

HOLOFERNES. Drie wil ik er zelf spelen.

MOT. O, driemaal heldhaftig heer!

ARMADO. Zal ik u iets zeggen?

HOLOFERNES. Wij luisteren.

ARMADO. Wij willen, als dit niet slaagt, een klucht vertoonen. Ik

bid u, gaat mede.

HOLOFERNES. Via!--Vriend Dom, gij hebt al dezen tijd geen woord

gesproken.

DOM. En evenmin er geen verstaan, heer.

HOLOFERNES. Allons! Wij willen ook u aan het werk zetten.

DOM. Neem mij voor een danser; of ik roere u de trom,

Dat de helden gaan dansen en draaien om en om.

HOLOFERNES. Komt, allen aan 't werk! Gij domme, goede Dom!

(Allen af.)

Veel Gemin, geen Gewin · 第 33 / 73 题