In 't park.
Holofernes, Nathanaël en Dom komen op.
HOLOFERNES. Satis quod sufficit.
NATHANAëL. Ik loof den Heer om u, heer magister; uw tafelgesprekken
waren puntig en spreukrijk, vermakelijk zonder plompheid, geestig
zonder gezochtheid, stoutmoedig zonder driestheid, geleerd zonder
zelfverheffing, en eigenaardig zonder ketterij. Ik had een dezer
quondam dagen een gesprek met een metgezel des konings, die getiteld,
geheeten of genaamd wordt: Don Adriano de Armado.
HOLOFERNES. Novi hominem tamquam te; zijn wezen is hoog, zijn gesprek
peremptorisch, zijn tong gepolijst, zijn oog vol ambitio, zijn
gang majestueus, en zijn geheele wijze van doen ijdel, belachelijk
en thrasoniek. Hij is al te gezocht, te opgesmukt, te gemaakt, te
zonderling, als het ware al te peregrinatorisch, als ik het wel zoo
noemen mag.
NATHANAëL. Een zeer eigenaardig en uitgelezen epitheton.
(Hij haalt zijn zakboekje te voorschijn.)
HOLOFERNES. Hij spint den draad zijner verbositeit fijner uit dan de
vezel zijner argumenta. Ik verafschuw dusdanige fanatieke fantasten,
zulke insociable en haarkloovende makkers, zulke radbrakers der
orthographie, dewelke gezocht jongen uitspreken als zij jon-gen moesten
zeggen, mens als zij mensch moesten uitspreken,--m, e, n, s, c, h,
en niet m, e, n, s; hij noemt een nestjen nesje; eigentlijk eigenlik;
weereld wèreld; hoofdpijn vocatur hoofpijn; hoofd wordt geabbrevieerd
tot hoof. Dit is abhominabel, waarvoor hij abominabel zou zeggen;
het doet mij gedenken aan insanie; ne intelligis, domine?--waanzinnig,
delireerend. 29
NATHANAëL. Laus deo, bone intelligo.
HOLOFERNES. Bone?--bone voor bene; een kleine schram voor Priscianus;
maar het kan dienen.
(Armado, Mot en Dikkop komen op.)
NATHANAëL. Videsne quis venit?
HOLOFERNES. Video et gaudeo.
ARMADO (tot Mot). Gnaap!
HOLOFERNES. Quare gnaap, en niet knaap?
ARMADO. Mannen des vredes, blijde u te recognosceeren.
HOLOFERNES. Salutem, strijdhaftige heer.
MOT. Zij zijn op het een of ander groot taalfeest geweest en hebben
de klieken gestolen.
DIKKOP. O, zij hebben al lang op de aalmoezenmand van zulke woorden
geteerd. Het verwondert mij, dat uw meester u nog niet voor zulk een
woord heeft opgegeten; want gij zijt op geen hoofd na zoo groot niet
als honorificabilitudinitatibus; gij zijt gemakkelijker in te slikken
dan een vlamwiekje.
MOT. Stil, het gelui begint.
ARMADO (tot Holofernes). Monsieur, zijt gij niet een geletterde?
MOT. Ja zeker, hij leert jongens het A-B-boek.--Wat is a, b, andersom
gespeld?
HOLOFERNES. Dat is b a, pueritia; maar wat volgt?
MOT. En B met den volgenden klinker, en gehoornd?
HOLOFERNES. Dat is b e, jongeling;--maar gehoornd?
MOT. Bè! onnoozel schaap, gehoornd.--Gij ziet, hoe geleerd hij is.
54
HOLOFERNES. Quis, quis, gij consonant?
MOT. Dat zal ik u zeggen; als gij maar eens begint mij de
voornaamwoorden op te noemen, dan zal ik vervolgen.