Een ander gedeelte van het park.
Biron komt op, met een papier in de hand.
BIRON. De koning jaagt herten en ik vervolg mijzelf; zij
pikken zich een buit uit en ik ben een buit voor pik,--pik dat
besmet. Besmetten! een leelijk woord. Nu, neem uw gemak, kommer! want
zoo, zegt men, zeide de nar; en zoo zeg ik, ik de nar. Goed bewezen,
vernuft! Bij den hemel, deze liefde is dol als Ajax; zij doodt schapen,
zij doodt mij, mij, een schaap! Alweer goed bewezen, mijnerzijds! Ik
wil niet beminnen; als ik het doe, hangt mij dan vrij op; op mijn eer,
ik wil niet. Ach! maar haar oog!--bij het licht der zon, als het niet
om haar oog was, zou ik haar niet willen beminnen! ja, om haar beide
oogen! Waarachtig, ik doe niets ter wereld dan liegen, liegen om aan te
stikken. Bij den hemel, ik bemin; en dit heeft mij geleerd te rijmen
en droefgeestig te zijn; en hier is een stuk van mijn rijmelarij,
en hier is mijn droefgeestigheid. Een van mijn sonnetten heeft zij
reeds; de hansworst heeft het haar gebracht, en de nar heeft het haar
gezonden, en de schoone heeft het; lieve hansworst, nog liever nar,
allerliefste schoone! Bij het heelal ik zou er geen oortje om geven,
als die andere drie ook ingerekend waren. Daar komt er een met een
papier in de hand; God geve hem de genade, dat hij zuchte! 20
(Hij klimt in een boom.)
(De Koning komt op, met een papier in de hand.)
KONING. Wee mij!
BIRON (ter zijde). Aangeschoten, waarachtig!--Ga zoo voort,
allerliefste Cupido! gij hebt hem met uw vogelpijl onder den
linkervleugel geraakt.--Op mijne eer, geheimen!
KONING (leest). "Zoo lieflijk kust de gouden zonne niet
De morgendruppen, die aan 't roosje hangen,
Als uw, uw oog, dat held're stralen schiet,
De nacht van dauw, die parelt op mijn wangen;
Niet half zoo helder schijnt de zilv'ren maan
Door 't held're water van de diepte heen,
Als uw gelaat mij gloort door meen'gen traan;
Gij straalt door elken druppel, dien ik ween;
En elke druppel wordt tot zegewagen,
Waarin gij,--zie den stroom, die in mij welt,--
Op mijner tranen golven wordt gedragen;
Ja, 't is mijn leed, dat uwe glorie meldt.
Doch min uzelf niet, want een spiegel leende ik
U in mijn tranen dan, en eeuwig weende ik.
Uw schoon, o koningin der koninginnen!
Boeit ieders tong, bedwelmt èn brein èn zinnen."
Hoe meld ik haar mijn leed? Lig daar, mijn vers!
Zoet loof, beschaduw dwaasheid!--Wie komt daar?
(Hij verschuilt zich.)
Wat! Longaville? en lezend! Oor, neem waar!
(Longaville treedt op, met een papier in de hand.)
BIRON (ter zijde). Rijze, in uw leest, nog één dwaas bij het paar!
LONGAVILLE. Wee mij, ik brak mijn eed!
BIRON (ter zijde). Waarachtig, hij komt als een meineedige en draagt
een papier er van vóór zich! 48
KONING (ter zijde). Ik hoop, verliefd! dan, schandgenoot, gegroet!
BIRON (ter zijde). Dronkaards te zien, doet dronkaards altijd goed.
LONGAVILLE. Maar ben ik de eerste, die zijn eed zoo schendt?
BIRON (ter zijde). Ik kon u troosten, man, twee meer zijn mij bekend;
Gij zijt een drieman nu, een lid der hoogste rangen,
Dwarshout van Amors galg, waar de onschuld aan moet hangen.
LONGAVILLE. Dit stroeve vers wekt nimmer wedermin.
Maria, o mijns harten koningin!
In proza schrijf ik, en verscheur mijn dicht.
BIRON (ter zijde). Met rijmen belint is 't pak van Venus' wicht;
Verscheur zijn pofbroek niet!
LONGAVILLE. Ik zend dit toch.
(Hij leest.)
"Heeft uwer hemelsche oogen tooverkracht,--
Daartegen stuiten aardsche reed'nen af,--
Mij niet tot breken van mijn eed gebracht?
Maar brak ik dien voor u, 't verdient geen straf.
Ja, vrouwenhulde zwoer ik af, het zij;
Gij zijt godin, ùw eerdienst blijft geduld;
Mijn eed was aardsch, een hemelsche engel gij;
Wiens min gij aanneemt, die is vrij van schuld.
Mijn eed was lucht, en ijle damp is lucht;
O zon, die op mijn aarde uw stralen schiet,
Gij dampt dien luchteed uit, tot u gevlucht;
Is die gebroken, mijne schuld is 't niet.
En waar' 't mijn schuld, wat dwaas waar' niet zoo wijs,
Dat hij hem brak, voor 't heil van 't paradijs?"
BIRON (ter zijde). 't Is gisting in 't bloed; die maakt het vleesch
tot god,
Een groen gansje, een godin: 't is afgodische spot.
Wij zijn allen aan 't malen; God geve ons herstel!
(Dumaine treedt op, met een papier in de hand.)
LONGAVILLE. Hoe zend ik dit?--Wie komt? ter zijde! snel!
(Hij verschuilt zich).
BIRON (ter zijde). Schuilvinkje, schuilvinkje, van ouds een kinderspel!
'k Zit hier als halfgod in een wolk verscholen,
En schouw 't geheim der narren, die hier dolen.
Meer zakken op den molen! zoo juist nog wenschte ik dit;
Dumaine is ook veranderd; vier snippen aan één spit! 82
DUMAINE. O allergodd'lijkst Kaatje!
BIRON (ter zijde). O allergodslasterlijkste dwaas!
DUMAINE. Bij 't hemelrijk! een wonder voor het oog!
BIRON (ter zijde). Bij de aard, lichaamlijk slechts; gij vliegt
te hoog.
DUMAINE. Grauwvaal wordt amber bij haar amberhaar!
BIRON (ter zijde). Een amberkleur'ge raaf waar' meer dan raar.
DUMAINE. Slank als de ceder.
BIRON (ter zijde). Krom! haar schouder, ach!
Moet zeker kind'ren.
DUMAINE. Schoon gelijk de dag.
BIRON (ter zijde). Als meen'ge dag; dan moet de zon niet schijnen.
DUMAINE. O, hadde ik mijnen wensch!
LONGAVILLE. (ter zijde). En ik den mijnen!
KONING (ter zijde). En ik den mijnen, hemel!
BIRON (ter zijde). Amen, zeg ik voort,
Bij mijnen wensch! Is dit niet een goed woord?
DUMAINE. Kon ik vergeten! Maar zij woelt me in 't bloed,
Een koorts gelijk, en maant mij door den gloed.
BIRON (ter zijde). Een koorts in 't bloed? Nu, die tapt u in schalen
Een aderlating af; o lieflijk dwalen!
DUMAINE. Nog eens lees ik het vers, dat ik haar schreef.
BIRON (ter zijde). Nog eens hoor ik, hoe min 't verstand verdreef.
DUMAINE (leest).
"Op een dag,--o booze dag
Van de zoete Meie!--zag
Liefde een roosje met genugt'
Spelen in de dart'le lucht;
Door 't fluweelen loof der heg
Vond de onzichtb're wind zijn weg,
En de knaap, in stervenspijn,
Wenschte 's hemels aâm te zijn.
"Lucht," zoo sprak hij, "kust haar vrij;
Zaal'ge lucht, ware ik als gij!
Wee! 'k verpandde woord en trouw,
Dat ik nooit u plukken zou!
Ach, wat eed voor teed're jeugd,
Jeugd, zoo tuk op liefde en vreugd!
Neen, geen zonde zij 't geacht,
Zoo 'k mijn eed om u verkracht,
U, die Jupiter zoudt nopen
Juno een moorin te doopen,
En zijn godheid te verzaken,
Om als mensch voor u te blaken."" 120
Dit zend ik, en nog iets, dat onverbloemd
Mijn leed, het hong'ren van mijn hart, haar noemt.
O waar' de vorst, Biron en Longaville
Nu ook verliefd! Besmette ook hunne ziele
Meineed! dit wiesch van 't voorhoofd mij de vlek;
Want niemand valt in 't oog, zijn allen gek.
LONGAVILLE (te voorschijn tredend). Dumaine, uw min woont in geen
christ'lijk hart.
Zoo zij gezelschap wenscht in minnesmart.
Verbleek vrij; maar ik weet, ik wierd vuurrood,
Wierd ik aldus betrapt in bitt'ren nood.
KONING (vooruittredend). Zoo bloos dan; zijn geval is 't uwe, heer,
Hem valt gij hard, en zondigt tweemaal meer;
Gij mint Maria niet! nooit van zijn leven
Heeft Longaville een rijmbrief haar geweven!
Zijn armen op de borst nooit saamgekruist,
Tot stilling van een hart, waar liefde in huist!
'k Wilde in dit bosch een weinig mij verpoozen,
Bespeurde u beide' en moest om beiden blozen,
Vernam uw zondig rijm'len, hoorde uw klachten,
Zag uwer zuchten wolken, en uw smachten,
"Wee mij!" roept de één, en die: "O Jupiter!"
Voor de' een is haar van goud, dien 't oog een ster;
(Tot Longaville.) Gij, breken zoudt ge om 't paradijs uw eeden;
(Tot Dumaine.) Als gij zou Jupiter een eed vertreden!--
Wat zal Biron wel zeggen bij het hooren
Van 't schennen uwer trouw, zoo luid bezworen
Wat zal hij spotten, plagen, steek'lig zingen,
Wat zal hij triumfeeren, lachen, springen!
'k Zou om mijn rijk en heel mijn schat er bij
Niet willen, dat hij zooveel wist van mij!
BIRON (ter zijde). Nu treed ik op, en geesel huichelarij.--
(Hij klimt van den boom af en treedt te voorschijn.)
Mijn beste vorst, ik bid u, 't sta mij vrij:
Gij, vrome ziel! verwijt gij liefdevlagen
Aan wormen, gij, het meest verliefd? Geen wagen
Zijn ooit uw oogen; in uw tranenvliet
Kan geen prinses zich spieg'len, zeker niet!
Gij breekt geen eed ooit, 't ware u ergernis;
En niemand rijm', dan wiens beroep het is!
Maar staat gij niet beschaamd?--gij niet in nood,
Dat elk van u zoo ver van 't doelwit schoot?
Uw' splinter vond de koning,
(Op Dumaine wijzend, tot Longaville.) gij den zijnen;
Ik acht, een balk moet ieder uwer pijnen.
O welk tooneel van dwaasheid trof mijn blik,
Van leed en kommer, zuchten en gesnik!
Hoe zag ik, spraak'loos van verwondering,
Dat een monarch een mug werd, gonzen ging!
De groote Hercules een drijftol zweepte,
De wijze Salomo met deuntjes dweepte,
En Nestor met de knapen paardje speelde,
En Timon lachend kinderschaapjes streelde!
Waar huist uw leed? Dumaine, o vriend, deel 't mee! 171
En beste Longavill', waar schuilt uw wee?
Waar 't uwe, heer en vorst? Niet waar, in 't hart?
Een wijnsoep, hé!
KONING. Te steek'lig is uw gard.
Hebt gij verraad gepleegd, en ons bespied?
BIRON. Verraad? dan gij aan mij, aan u ik niet.
Ik, ik ben rein, ik, die het zondig reken,
Mijn eenmaal duur bezworen eed te breken;
Ik ben verraden, wijl ik mij verbond
Met mannen, die ik zwak, meineedig vond.
Zult gij ooit zien, dat ik in rijmen schrijf?
Ween om Heleen? een oogwenk tijds verdrijf
Met haar en baard? spreek ik ooit opgetogen
Tot lof van hand en voet, gelaat en oogen,
Van leest en geest, hals, houding, boezem, been,
Van kin en knie?--
(Hij ontwaart Dikkop met Jacquenetta en wil ijlings wegloopen.)
KONING. Wat is 't? waar ijlt gij heen?
Een eerlijk man of dief, wie loopt zoo snel?
BIRON. De liefde ontvlucht ik; minnaar, vaar gij wel!
(Hij blijft op een wenk van den Koning staan.)
(Jacquenetta en Dikkop komen op.)
JACQUENETTA. Heer koning!
KONING (tot Dikkop). Zoo, wat brengt gij voor kaproen?
DIKKOP. O heer, een stuk verraad!
KONING. Wat moet verraad hier doen?
DIKKOP. O heer, het doet u niets.
KONING. Dan wensch ik niets te ontdekken,
En mag 't verraad met u in vrede henentrekken.
JACQUENETTA. Ik verzoek uwe hoogheid, dezen brief toch te lezen,
Onze eerwaarde zeide, dat het verraad zou wezen.