KONING. Biron, kijk hem in.--

(Hij geeft den brief aan Biron.)

Van wien hebt gij den brief?

JACQUENETTA. Van Dikkop.

KONING (tot Dikkop). En gij, van wien gij?

DIKKOP. Van Dun Adramadio, Dun Adramadio.

(Biron verscheurt den brief.)

KONING (tot Biron). Wat is 't? wat komt u over, dat gij den brief

verscheurt?

BIRON. 't Is niets, mijn vorst, een grap; ducht niet, dat iets gebeurt.

LONGAVILLE. Wij willen 't hooren; hij ontstelde; zie, hij kleurt!

202

DUMAINE (de stukken oprapend). Het schrift is van Biron; ja zie,

zijn naam aan 't end!

BIRON (tot Dikkop). O gij hondsvot en ezel, gij stort mij in schande

en ellend!--

O schuldig, schuldig, vorst! ik beken, ik beken.

KONING. Wat dan?

BIRON. Dat aan u, drie narren, ik, nar, nog ontbrak als vierde man.

Hij, hij, en gij, mijn vorst, en ik, wij vergrepen ons snood,

Zijn dieven op 't punt van liefde, en wij verdienen den dood.

Dat dit gehoor nu heenga, dan biecht ik alles, heer.

DUMAINE. 't Getal is nu even.

BIRON. Een vierspan, op mijne eer.

Wat doen die tortels hier nog?

KONING. Nu, vrienden, gij kunt gaan.

DIKKOP. Ja, ga maar, eerlijk volk, laat die verraders staan.

(Dikkop en Jacquenetta af.)

BIRON. Komt, vrienden, minnaars! thans elkaâr omarmd!

Wij zijn zoo trouw als vleesch en bloed vermogen;

De zee heeft eb en vloed, de zon verwarmt,

En jong bloed kan geen oudheidswet gedoogen;

Wij kunnen 's levens oorzaak niet versmoren;

Wij moeten de eeden breken, dus gezworen.

KONING. 't Verscheurde daar moest dus ùw liefde ontvouwen?

BIRON. Gij vraagt dit? Wie kan Rosaline aanschouwen,

De hemelsche? en buigt niet, als de Indiaan,

Bij 't rijzen van den eersten oostergloed,

Verblind door glans, gedwee het hoofd, bidt aan,

En kust den lagen grond met vroom gemoed?

Wiens aadlaarsoog is driest genoeg, en vindt

Den moed haar in het hemelsch oog te staren,

En wordt niet door haar majesteit verblind?

KONING. Wat dwaze woede is u in 't brein gevaren?

Mijn liefde is zelf de maan aan 's hemels boog,

Zij haar trawant, een ster, die niemand ziet.

BIRON. Dan ben ik niet Biron, mijn oog geen oog.

De dag wierd nacht, waar' mijn geliefde er niet!

O, de uitgelezenste aller tinten kwamen,

Als tot een feest, bijeen op hare wang;

En 't eêlste smolt daar met het eêlste samen,

En niets ontbreekt, wat ook verlangst verlang'.

Leen mij de bloemen aller redekunst;--

Neen, die behoeft zij niet; zij is te schoon!

Voor koopwaar bedel' koopmanslof zich gunst,

Ze is boven lof; te zwakke lof is hoon. 241

Een kluiz'naar, wien een honderd winters hind'ren,

Wierp, blikkend in haar oog, er vijftig af;

Schoonheid maakt ouden frisch als jonge kind'ren,

Leent de eerste jeugd der wieg aan 's grijsaards staf;

O, ze is de zon; haar gloed maakt alles goud!

KONING. Uw zon is zwart als ebbenhout, bij God!

BIRON. Is ebbenhout als zij? dan godd'lijk hout!

Een vrouw uit zulk een hout waar' 't heilrijkst lot.

Wie reikt mij 't bijbelboek, opdat ik zweer,

Dat schoonheid alle schoonheid derft, ten ware

Zij van haar oogen gloedvol blikken leer';

O, schoon is geen gelaat, min zwart dan 't hare.

KONING. Wat paradox! Zwart is de leus der hel,

De kleur van krochten, en het kleed der nacht;

En blankheid staat bij hemelreinheid wel.

BIRON. De duivel lokt liefst in der englen dracht.

Zoo ravenzwart mijn liefste's hoofd bedekt,

Dan rouwt het, wijl valsch haar, verf en vernis

Met ijd'len schijn verliefde dwazen trekt;

Doch zwart is schoon, sinds zij geboren is.

De mode erkent haar schoonheid; en dit doet

Natuurlijk bloed den lof van verf verwerven;

En noopt het blank, dat gisping duchten moet,

Om haar gelijk te zijn, zich zwart te verven.

DUMAINE. Juist, met dit doel zwart zich de schoorsteenveger.

LONGAVILLE. De kolenbrander heeft een blank gezicht.

KONING. En met zijn frissche kleur pronkt nu de neger.

DUMAINE. Wie brandt er nog een kaars? de nacht is licht.

BIRON. Nu, uw geliefden gaan niet uit bij regen,

Opdat de kleur niet van haar wang verdwijn'.

KONING. Deed de uwe zoo! vaak kom ik vrouwen tegen,

Die, ongewasschen, toch veel blanker zijn.

BIRON. Ik roem haar kleur, zelfs tot den jongsten dag.

KONING. Nu, dan zal u geen duivel schrikken doen.

DUMAINE. Geen man, wiens smaak ik zoo verkeerd ooit zag.

LONGAVILLE (zijn voet vooruitstekend). Zie, 't beeld van uw geliefde

is hier mijn schoen.

BIRON. Bestond het straatplaveisel uit uw oogen,

Te ruw waar' 't voor haar voet en te gering.

DUMAINE. O foei! haar schaamte mocht het niet gedoogen, 280

Dat die weg opzag, als ze er over ging.

KONING. Stil! zijn wij allen niet verliefd en zondig?

BIRON. Volkomen waar, meineedig, boos en zwak.

KONING. Zwijg dan! en, vriend Biron, bewijs ons bondig,

Dat ons verliefd-zijn onzen eed niet brak.

DUMAINE. Ja goed, bedenk iets om ons vrij te liegen!

LONGAVILLE. Voortreff'lijk ja, een sluwe vond, een list,

Een kunstgreep, die den duivel zou bedriegen!

DUMAINE. Een zalf voor meineed!

BIRON. Nu, hoog noodig is 't.

Geeft acht dan, gij, lansknechten van de minne,

En overweegt, wat gij bezwoert! Te vasten;

Voorts: te studeeren en geen vrouw te zien:

Blijkbaar verraad aan 't koningschap der jeugd!

Spreekt, kunt gij vasten? daartoe zijn uw magen

Veel, veel te jong; onthouding maakte u krank.

En wat uw eed nu aangaat van 't studeeren,

[Elk uwer zwoer hiermeê zijn boek juist af;

Kunt gij er steeds in suffen, staren, turen?

Want hoe hadt gij, mijn vorst, of gij, of gij,

De heerlijkheid doorgrond van diepe studie,

Zoo niet door 't wonderschoon gelaat der vrouw?

Uit vrouwenoogen trek ik deze leer:

Zij zijn de grond, het boek, de hoogeschool,

Die 't echte Prometheïsch vuur doen vlammen.]

Wel! eeuwig rustloos zwoegen maakt in de aad'ren

De wakk're levensgeesten tot gevang'nen,

Zooals beweging, zonder rusten voortgaand,

De spierkracht van den reiziger vermoeit.

En wat betreft, dat gij geen vrouw zoudt aanzien,

Hiermeê zwoert gij 't gebruik der oogen af,

En ook de studie, 't doel van uwen eed;

Want welk een schrijver in de gansche wereld

Leert zulk een schoonheid als een vrouwenoog?

Het weten toch is slechts een deel van ons,

En waar wij zijn, daar is ons weten ook;

Zoo wij ons-zelf dus zien in vrouwenoogen,

Zien wij ons weten daar dan ook niet in?

Wij deden de' eed van te studeeren, vrienden,

Doch daarmee zwoeren we onze boeken af;

Want spreekt! hadt gij, mijn vorst, of gij, of gij,

Door loodzwaar peinzen ooit den gloed gevonden

Der schoone verzen, die 't bezielend oog

Der schoone meesteressen thans u ingaf? 323

De traag're kunsten zeet'len gansch in 't brein,

En vinden staâg onvruchtbare arbeidslieden,

Zoodat hun moeizame arbeid luttel oogst;

Doch liefde, uit vrouwenoogen eerst geleerd,

Woont geenszins ingemetseld in het brein,

Maar vliegt, met aller elementen leven,

Snel, als gedachten 't zijn, naar elke kracht,

En geeft aan elke kracht een dubb'le kracht,

Ver boven hare taak en dienstverplichting;

Zij schenkt aan 't oog een nieuw en kostlijk zien;

Het oog des minnaars staart den aad'laar blind;

Het oor des minnaars hoort het zachtst geluid,

Zelfs dat aan de' argwaan van den dief ontsnapt;

't Gevoel der liefde is fijner, meer gevoelig

Dan bij de huisjesslak de teed're horens;

Bij liefdes tong is Bacchus stomp van smaak.

Is niet de liefde in moed een Hercules,

Die in 't geboomt' der Hesperiden klimt?

Slim als de Sphinx? zoo zoet en vol muziek

Als Phoebus' lier, bespannen met zijn haar?

Spreekt Liefde, dan brengt aller goden koor

Den hemel met hun harmonie aan 't droomen.

Nooit durfde een dichter grijpen naar zijn pen,

Eer de inkt door liefde-zuchten was getemperd;

O! dan verrukt zijn lied der wilden oor,

En plant erbarmen in tyrannenharten.

Uit vrouwenoogen trek ik deze leer:

Zij sprank'len staâg het echt Prometheusvuur;

Zij zijn het boek, de kunst, de hoogeschool,

Die heel de wereld leert, omvat en voedt;

En niemand anders is in iets voortreff'lijk.

Dies waart gij dwaas, toen gij deez' vrouwen afzwoert,

En houdt gij wat gij zwoert, dan blijkt gij dwaas.

In naam der wijsheid,--'t woord, dat mannen minnen,--

In naam der min,--het woord, dat mannen streelt,--

In naam der mannen,--scheppers dezer vrouwen,--

In naam der vrouwen,--de oorsprong van ons, mannen,--

Verzaken we onzen eed, tot ons behoud,

Want wie deze eeden houdt, verzaakt zichzelf.

De godsdienst-zelf beveelt den meineed aan,

Want menschenmin vervult de hoogste wet,

En wie kan menschenmin van liefde scheiden?

KONING. Dan, Sint Cupido! en in 't veld, soldaten!

BIRON. Ontplooit uw standaards, heeren, er op los!

Vliegt, legt haar neer! spaart niets! doch hoort mijn raad,

Zorgt in den strijd de zon haar af te winnen!

LONGAVILLE. Thans open spel! laat bloempjes weg! hoe is 't?

Wij maken 't hof dus aan de Fransche meisjes?

KONING. En winnen ze ook; daarom, nu iets bedacht!

Een aardig feest voor haar, ginds in haar tenten.

BIRON. Wij leiden haar dan eerst van 't park daarheen;

En voor die wandeling zoek' zich elk de hand

Der uitverkoren schoone. Na den middag

Vermake haar een geestig tijdverdrijf,

Zoo goed de korte tijd het scheppen kan;

Want dartele uren, maskerspel en dansen,

't Loopt liefde voor, strooit bloemen, biedt haar kransen.

KONING. Van hier, van hier! Terstond aan 't werk! want tijd,

Zoo wij hem niet verbeuz'len, brengt profijt.

BIRON. Allons! wie onkruid zaait, oogst nimmer koren;

Gerechtigheid weegt alles even zwaar;

Aan meineed wordt een lichte vrouw beschoren;

Ons koper geeft geen recht op beter waar.

(Allen af.)

Veel Gemin, geen Gewin · 第 30 / 73 题