NATHANAëL. Een merkwaardig talent voor verzen! 64

DOM. Als verzenen de hielen zijn, dan aait hij hem nu met de hielen.

HOLOFERNES. Dit is een gave, die ik heb, zoo eenvoudig weg, zoo

eenvoudig weg; een dwazen, overspannen geest, vol vormen, figuren,

beelden, voorwerpen, gedachten, opvattingen, bewegingen, omkeeringen;

deze worden verwekt in den boezem van het geheugen, gevoed in den

schoot der pia mater, en aan 't licht gebracht, als de gelegenheid

ze rijpt. Doch de gave is goed in hen, bij wie ze acuut is, en ik

ben er dankbaar voor.

NATHANAëL. Magister, ik loof den Heer wegens u, en mijn parochianen

mogen het ook wel doen; want hun zoons hebben in u een goed voorganger,

en hun dochters tieren welig door u; gij zijt een goed medelid van

het gemeenebest.

HOLOFERNES. Mehercle! als uw zoons ingenium hebben, aan instructie

zal het hun niet ontbreken; en als uw dochters ontvankelijk zijn,

zal ikzelf trachten op haar te werken. Doch vir sapit, qui pauca

loquitur.--Daar is een vrouwelijk wezen, dat ons begroet.

(Jacquenetta en Dikkop komen op.)

JACQUENETTA. God geve u een goeden morgen, heer; eerwaarde, sta mij

toe u eens aan te spreken.

HOLOFERNES. Heer eerwaarde, quasi herwaarts! Als nu iemand hier

aangesproken moet worden, wie is het dan?

DIKKOP. Wel, heer schoolmeester, die het meest op een okshoofd gelijkt.

HOLOFERNES. Een okshoofd aan te spreken! Een goede opflikkering van

geest in een aardkluit; vuur genoeg voor een keisteen, parel genoeg

voor een zwijn; 't is aardig, 't is goed.

JACQUENETTA. Beste eerwaarde, wees zoo goed en lees mij dezen

brief. Hij werd mij gegeven door Dikkop en mij toegezonden door Don

Armado; ik bid u, lees hem.

(Nathanaël leest den brief.)

HOLOFERNES. "Fauste, precor gelida quando pecus omne sub umbra

Ruminat"--en zoo voorts. O goede oude Mantuaan! ik mag van u zeggen,

wat de reiziger van Venetië zegt: 98

"Venetia, Venetia,

Chi non ti vede, non ti prezia."

Oude Mantuaan! oude Mantuaan! die u niet verstaat, bemint u niet.--Ut,

re, sol, la, mi, fa.--Met uw verlof, heer, wat is de inhoud? of liever,

zooals Horatius zegt in zijn--Wat, bij mijn ziel! verzen?

NATHANAëL. Ja, heer, en zeer geleerde zelfs.

HOLOFERNES. Laat mij eens een strofe, stanza, vers, er van hooren;

lege, domine.

NATHANAëL (leest). "Zoo liefde meineed pleegt, hoe kan ik liefde

zweren?

Maar ach, geen eed houdt stand, dan dien men schoonheid biedt!

Zij ik mijzelf ontrouw, dien eed zal niets ooit deren;

Mijn wil achtte ik een eik, hij boog voor u als riet.

Mijn kennisdorst verruilt zijn boeken voor uw oogen,

Waar al het heil, dat ik bevatten wilde, in leeft;

Wie u kent, weet genoeg; hij mag op kennis bogen;

Die tong is hooggeleerd, die u het uwe geeft,

Die ziele blind, die u niet aanstaart als een wonder;

En dat ik u vereer, is 't goede in mijn natuur.

Uw oog voert 's hemels flits, uw stem zijn schrikb'ren donder,

Maar zijn zij niet verstoord, muziek en lieflijk vuur.

O godd'lijk wezen, acht mijn stoute min niet zondig,

Nu ik des hemels roem met aardsche tong verkondig."

HOLOFERNES. Gij vindt de apostropha's niet en mist daardoor het ware

accent; laat mij de canzonetta eens supervideeren. Hier is alleen de

maat in acht genomen, maar wat elegantia, zoetvloeiendheid, de gulden

cadans betreft,--caret. Ovidius Naso, dat was de man! en waarom juist,

Naso? waarom anders, dan om zijn fijnen neus voor de geurige bloemen

der phantasie, de schokken der verbeeldingskracht? Imitari is niets:

dat doet de hond zijnen meester, de aap zijnen verzorger, het afgematte

paard zijnen ruiter.--Maar damosella, maagd, was dit aan u gericht?

JACQUENETTA. Ja, heer magister; het komt van een zekeren monsieur

Biron, een van de heeren bij de vreemde koningin.

HOLOFERNES. Ik wil het superscriptum bezien. "Aan de sneeuwwitte hand

van de overschoone Rosaline." Ik wil nog eens letten op het begrip van

den brief, voor de kenbaarmaking van de persoon, die schreef aan de

persoon, aan welke geschreven werd. "Uwer edelheid zich toewijdend voor

alle begeerde diensten, Biron." Heer Nathanaël, deze Biron is een van

's konings eedgenooten; en hier heeft hij een brief vervaardigd aan

een begeleidster der vreemde vorstin, welke door den loop des toevals

of bij wijze van progressie verkeerd is terecht gekomen.--Trippel

van hier, lief kind; leg dezen brief in de vorstelijke hand des

konings; dit kan een zaak van belang worden. Houd u niet op door

afscheidsceremoniën, ik ontsla u van uw verplichting; vaarwel! 148

JACQUENETTA. Beste Dikkop, ga met mij mede.--God behoede uw gezondheid,

heer!

DIKKOP. Ik ga mede, meisje.

(Dikkop en Jacquenetta af.)

NATHANAëL. Heer magister, gij hebt dit gedaan in de vreeze Gods,

recht christelijk; en zooals een zeker vader gezegd heeft,--

HOLOFERNES. Ik bid u, spreek mij niet van vaders; ik ducht verdachte

uitdenkingen. Maar om op de verzen terug te komen, bevielen zij u,

mijnheer Nathanaël?

NATHANAëL. Zeer goed, wat het schrift betreft.

HOLOFERNES. Ik ga heden middagmalen bij den vader van een mijner

kweekelingen, alwaar ik, als het u behagen mocht, voor den maaltijd

den disch met een gratias te gratificeeren, krachtens mijns privilegii

bij de ouders van voornoemd kind ofte kweekeling, uw benvenuto op mij

wil nemen; alwaar ik bewijzen zal, dat deze verzen zeer ongeleerd te

achten zijn en zonder den geur der poëzie, geest en vindingskracht. Ik

verzoek om uw gezelschap.

NATHANAëL. En ik ben u dankbaar, want gezelschap,--zegt de tekst,--is

het geluk des levens.

HOLOFERNES. En zeker, dit is een onfeilbare uitspraak van den

tekst.--(Tot Dom.) Vriend, ik noodig ook u uit; gij moogt geen

neen zeggen; pauca verba.--Komt, gaan wij! de grooten zijn aan hun

jachtvermaak, en wij willen naar onze uitspanning.

(Allen af.)

Veel Gemin, geen Gewin · 第 28 / 73 题