DOM. Als verzenen de hielen zijn, dan aait hij hem nu met de hielen.
HOLOFERNES. Dit is een gave, die ik heb, zoo eenvoudig weg, zoo
eenvoudig weg; een dwazen, overspannen geest, vol vormen, figuren,
beelden, voorwerpen, gedachten, opvattingen, bewegingen, omkeeringen;
deze worden verwekt in den boezem van het geheugen, gevoed in den
schoot der pia mater, en aan 't licht gebracht, als de gelegenheid
ze rijpt. Doch de gave is goed in hen, bij wie ze acuut is, en ik
ben er dankbaar voor.
NATHANAëL. Magister, ik loof den Heer wegens u, en mijn parochianen
mogen het ook wel doen; want hun zoons hebben in u een goed voorganger,
en hun dochters tieren welig door u; gij zijt een goed medelid van
het gemeenebest.
HOLOFERNES. Mehercle! als uw zoons ingenium hebben, aan instructie
zal het hun niet ontbreken; en als uw dochters ontvankelijk zijn,
zal ikzelf trachten op haar te werken. Doch vir sapit, qui pauca
loquitur.--Daar is een vrouwelijk wezen, dat ons begroet.
(Jacquenetta en Dikkop komen op.)
JACQUENETTA. God geve u een goeden morgen, heer; eerwaarde, sta mij
toe u eens aan te spreken.
HOLOFERNES. Heer eerwaarde, quasi herwaarts! Als nu iemand hier
aangesproken moet worden, wie is het dan?
DIKKOP. Wel, heer schoolmeester, die het meest op een okshoofd gelijkt.
HOLOFERNES. Een okshoofd aan te spreken! Een goede opflikkering van
geest in een aardkluit; vuur genoeg voor een keisteen, parel genoeg
voor een zwijn; 't is aardig, 't is goed.
JACQUENETTA. Beste eerwaarde, wees zoo goed en lees mij dezen
brief. Hij werd mij gegeven door Dikkop en mij toegezonden door Don
Armado; ik bid u, lees hem.
(Nathanaël leest den brief.)
HOLOFERNES. "Fauste, precor gelida quando pecus omne sub umbra
Ruminat"--en zoo voorts. O goede oude Mantuaan! ik mag van u zeggen,
wat de reiziger van Venetië zegt: 98
"Venetia, Venetia,
Chi non ti vede, non ti prezia."
Oude Mantuaan! oude Mantuaan! die u niet verstaat, bemint u niet.--Ut,
re, sol, la, mi, fa.--Met uw verlof, heer, wat is de inhoud? of liever,
zooals Horatius zegt in zijn--Wat, bij mijn ziel! verzen?
NATHANAëL. Ja, heer, en zeer geleerde zelfs.
HOLOFERNES. Laat mij eens een strofe, stanza, vers, er van hooren;
lege, domine.
NATHANAëL (leest). "Zoo liefde meineed pleegt, hoe kan ik liefde
zweren?
Maar ach, geen eed houdt stand, dan dien men schoonheid biedt!
Zij ik mijzelf ontrouw, dien eed zal niets ooit deren;
Mijn wil achtte ik een eik, hij boog voor u als riet.
Mijn kennisdorst verruilt zijn boeken voor uw oogen,
Waar al het heil, dat ik bevatten wilde, in leeft;
Wie u kent, weet genoeg; hij mag op kennis bogen;
Die tong is hooggeleerd, die u het uwe geeft,
Die ziele blind, die u niet aanstaart als een wonder;
En dat ik u vereer, is 't goede in mijn natuur.
Uw oog voert 's hemels flits, uw stem zijn schrikb'ren donder,
Maar zijn zij niet verstoord, muziek en lieflijk vuur.
O godd'lijk wezen, acht mijn stoute min niet zondig,
Nu ik des hemels roem met aardsche tong verkondig."
HOLOFERNES. Gij vindt de apostropha's niet en mist daardoor het ware
accent; laat mij de canzonetta eens supervideeren. Hier is alleen de
maat in acht genomen, maar wat elegantia, zoetvloeiendheid, de gulden
cadans betreft,--caret. Ovidius Naso, dat was de man! en waarom juist,
Naso? waarom anders, dan om zijn fijnen neus voor de geurige bloemen
der phantasie, de schokken der verbeeldingskracht? Imitari is niets:
dat doet de hond zijnen meester, de aap zijnen verzorger, het afgematte
paard zijnen ruiter.--Maar damosella, maagd, was dit aan u gericht?
JACQUENETTA. Ja, heer magister; het komt van een zekeren monsieur
Biron, een van de heeren bij de vreemde koningin.
HOLOFERNES. Ik wil het superscriptum bezien. "Aan de sneeuwwitte hand
van de overschoone Rosaline." Ik wil nog eens letten op het begrip van
den brief, voor de kenbaarmaking van de persoon, die schreef aan de
persoon, aan welke geschreven werd. "Uwer edelheid zich toewijdend voor
alle begeerde diensten, Biron." Heer Nathanaël, deze Biron is een van
's konings eedgenooten; en hier heeft hij een brief vervaardigd aan
een begeleidster der vreemde vorstin, welke door den loop des toevals
of bij wijze van progressie verkeerd is terecht gekomen.--Trippel
van hier, lief kind; leg dezen brief in de vorstelijke hand des
konings; dit kan een zaak van belang worden. Houd u niet op door
afscheidsceremoniën, ik ontsla u van uw verplichting; vaarwel! 148
JACQUENETTA. Beste Dikkop, ga met mij mede.--God behoede uw gezondheid,
heer!
DIKKOP. Ik ga mede, meisje.
(Dikkop en Jacquenetta af.)
NATHANAëL. Heer magister, gij hebt dit gedaan in de vreeze Gods,
recht christelijk; en zooals een zeker vader gezegd heeft,--
HOLOFERNES. Ik bid u, spreek mij niet van vaders; ik ducht verdachte
uitdenkingen. Maar om op de verzen terug te komen, bevielen zij u,
mijnheer Nathanaël?
NATHANAëL. Zeer goed, wat het schrift betreft.
HOLOFERNES. Ik ga heden middagmalen bij den vader van een mijner
kweekelingen, alwaar ik, als het u behagen mocht, voor den maaltijd
den disch met een gratias te gratificeeren, krachtens mijns privilegii
bij de ouders van voornoemd kind ofte kweekeling, uw benvenuto op mij
wil nemen; alwaar ik bewijzen zal, dat deze verzen zeer ongeleerd te
achten zijn en zonder den geur der poëzie, geest en vindingskracht. Ik
verzoek om uw gezelschap.
NATHANAëL. En ik ben u dankbaar, want gezelschap,--zegt de tekst,--is
het geluk des levens.
HOLOFERNES. En zeker, dit is een onfeilbare uitspraak van den
tekst.--(Tot Dom.) Vriend, ik noodig ook u uit; gij moogt geen
neen zeggen; pauca verba.--Komt, gaan wij! de grooten zijn aan hun
jachtvermaak, en wij willen naar onze uitspanning.
(Allen af.)