Aldaar. Een ander gedeelte van het park.
Holofernes, Nathanaël en Dom komen op.
NATHANAëL. Voorwaar, een recht eerwaardige jacht, en volbracht onder
de getuigenis van een goed geweten.
HOLOFERNES. Het hert was, zooals gij weet, sanguis, met vurig
bloed;--rijp als de koningsappel, die nu hangt als een juweel in het
oor van coelo, het luchtgewelf, het firmament, den hemel,--en dan
nedervalt als een gewone appel op het gelaat van terra, den grond,
het land, het aardrijk.
NATHANAëL. Waarlijk, meester Holofernes, de predicaten zijn daar
liefelijk gevarieerd, een geleerde ten volle waardig. Maar ik verzeker
u, heer magister, het was een voljarig hert.
HOLOFERNES. Heer geestelijke, haud credo...
DOM. Het was geen haud credo, het was een spitser.
HOLOFERNES. Een recht barbaarsche intimatie! en toch een soort van
insinuatie, als het ware in via, op den weg der explicatie, om een
replicatie, als het ware, te maken, facere, of veeleer zijn inclinatie
te toonen, ostentare,--volgens zijn onbeschaafde, ongepolijste,
ongesnoeide, onopgevoede, ongedrilde, of veeleer ongeletterde, of
veeleerder ongeconfirmeerde manier,--van wederom mijn haud credo voor
een hert te insereeren.
DOM. Ik heb gezegd, dat het dier geen haud credo, maar een spitser was.
HOLOFERNES. O tweemaal gezoden onnoozelheid, bis coctus!
O gij monster Ignorantia, hoe wanstaltig ziet gij er uit! 24
NATHANAëL. Hij at nooit van de lekkere beetjes, die de hand van een
boek omsluit;
hij heeft geen papier als het ware gegeten; hij heeft geen inkt
gedronken; zijn intelligentie is niet doorvoed geworden; hij is
slechts een animal, alleen gevoelig in zijn grovere organen;
Zóó dorre planten worden voor ons geplaatst om dankbaar ons te doen
wezen,--
Gelijk wij bij 't proeven en voelen ook zijn,--voor de gaven, in
ons geprezen;
Want mij zou 't slecht staan, ja ijdel te wezen, onnoozel of gek;
Zoo ware ook het zien van hem in de school, gewis voor geleerdheid
een vlek;
Doch omne bene, zeg ik, gelijk een oud kerkvader gezind;
Menigeen kan het weder wel harden, maar houdt toch niet van den wind.
DOM. Gij tweeën zijt geleerden; is 't uw vernuft reeds gebleken,
Wat er één maand oud was bij Kains geboorte, en nu nog geen vijf weken?
HOLOFERNES. Dictynna, vriend Dom; Dictynna, vriend Dom.
DOM. Wat is Dikdunna?
NATHANAëL. Een titel van Phebe, van Luna, van de maan.
HOLOFERNES. De maan was één maand oud, toen Adam het ook was, voorwaar,
Maar haalde geen vijf weken bij Adams honderdste jaar.
De allusie houdt steek bij de naamsverandering.
DOM. 't Is wezenlijk waar, de collusie houdt steek bij de
maansverandering.
HOLOFERNES. God sterke uw bevattingsvermogen! Ik zeg, de allusie
houdt steek bij de maansverandering.
DOM. En ik zeg, de pollusie houdt steek bij de maansverandering,
want de maan wordt nooit ouder dan een maand; en ik zeg bovendien,
dat het een spitser was, wat de prinses geschoten heeft.
HOLOFERNES. Heer Nathanaël, wilt gij eens een extempore epitaphium
op den dood van het hert hooren? Ter wille van den ignorant daar heb
ik het hert, dat de prinses geschoten heeft, een spitser genoemd.
NATHANAëL. Ja, perge, beste magister, perge; en maak zoo een eind
aan alle onhebbelijke aardigheid.
HOLOFERNES. Ik wil de beginletter wat cultiveeren, want dit getuigt
van vaardigheid.
"De schoone schietster spande, en schoot
een spitser, schuw en slank;
Een spitser is gespitste nu,
gespietst met hare spies.
De spitser kreeg een tweede spits;
twee ellen was die lank;
En zeg eens, of de spitser nu
niet tot een gaff'laar wies.
Maar ik voeg bij een hert één L,
dan zijn 't er vijftig, man;
En 't wonder is: met één L meer
maak ik er honderd van."