HOUTVESTER. Vergeef, vorstin, dat is 't niet, wat ik meen. 13

PRINSES. Wat, wat? eerst prijst gij mij, dan zegt gij "neen"?

Niet schoon? Wee mij, mijn korte trots verdween!

HOUTVESTER. Zeer schoon, prinses.

PRINSES. Neen, geen blanketsel thans;

Waar schoon ontbreekt, verleent geen lofspraak glans.

Hier, goede spiegel, die de onwaarheid meldt;

(Zij geeft hem geld.)

Schoon doet, wie harde taal met goed vergeldt.

HOUTVESTER. O alles, wat gij zijt of doet, is schoon.

PRINSES. Mijn schoon vond redding in der werken loon!

O schoonheidsketterij, nog nooit beleefd!

Schoon wordt de onschoone hand, die rijk'lijk geeft!--

Maar komt, de boog; de deernis gaat ter jacht;

En 't beste schot wordt dan voor boos geacht.

Zoo is mijn eer steeds veilig als ik schiet;

Verwond ik niet, de deernis duldde 't niet,

Verwond ik, 'k heb alleen mijn kunst getoond;

Geen moord-, maar roemzucht is 't, die in mij woont.

Wie kan ontkennen, dat niet inderdaad

De roemzucht wreede gruw'len soms begaat,

Indien naar eer en lof, armzaal'gen schijn,

De krachten van ons hart begeerig zijn;

Zooals mij enkel lust naar lof het bloed

Van herten, die mij lief zijn, spillen doet? 35

BOYET. Is 't roemzucht niet, die booze vrouwen stijft

In 't opperste gezag, en die ze drijft

Heer van haar heer te zijn?

PRINSES. De roemzucht, ja; want elke vrouw oogst lof,

Voor wie een heer der schepping kruipt in 't stof.

(Dikkop komt op.)

BOYET. Daar komt een lid van hun gemeenebest.

DIKKOP. Goeden avond samen. Ik bid u, zeg mij, wie de hoofddame is.

PRINSES. Die kunt ge wel kennen, vriend, want de anderen zijn allen

het hoofd kwijt.

DIKKOP. Wie is de grootste dame, de hoogste?

PRINSES. Die het dikst en het langst is.

DIKKOP. Die het dikst en 't langst is? het is zoo; waar is waar.

Ik wed, was uw middel zoo dun als mijn verstand, mevrouw,

Dat de gordel van elk van die juffers ruim u passen zou.

Zijt gij de hoofdmevrouw? de dikste zijt gij wel.

PRINSES. Wat wilt gij, man, wat komt gij doen?

DIKKOP. Ik heb een brief van Monsieur Biron aan juffer Rosaline

te geven. 53

PRINSES. Die heer is een vriend van mij; geef maar hier; 't is om

't even.--

Verder weg, wakk're bode!--Boyet, gij kunt trancheeren,

Snijd dit kapoentje eens voor.

BOYET. 'k Voldoe aan uw begeeren.--

Maar ik aarzel, die brief is verdwaald, komt mij voor;

Hij is aan Jacquenetta.

PRINSES. Toch lezen; ga door!

Breek aan 't zegel den hals; en een elk leene 't oor.

BOYET (leest). "Bij den hemel, dat gij schoon zijt, is volstrekt

onfeilbaar; waar is het, dat gij bekoorlijk zijt, de waarheid zelf,

dat gij liefelijk zijt. Gij, schooner dan schoon, bekoorlijker dan

bekoorlijk, warer dan de waarheid zelf, oefen barmhartigheid jegens

uwen heldhaftigen vazal! De grootmoedige en doorluchtigste koning

Cophetua wierp het oog op het verderfelijke en onbetwijfelbare

bedelmeisje Zenélophon; en hij was het, die met recht kon zeggen:

veni, vidi, vici; wat, in de gemeene taal ontleed,--o lage en duistere

gemeene taal!--luidt, videlicet: hij kwam en zag en overwon; hij

kwam, één; zag, twee; overwon, drie. Wie kwam? de koning. Waarom

kwam hij? om te zien. Waarom zag hij? om te overwinnen. Tot wie kwam

hij? tot het bedelmeisje. Wat zag hij? het bedelmeisje. Wie overwon

hij? het bedelmeisje. De uitslag is: Victoria. Aan wiens zijde? des

konings. De gevangenschap wordt verhooging. Aan wiens zijde? aan

die van het bedelmeisje. De catastrophe is een bruiloft. Aan wiens

zijde? aan die des konings?--neen, aan die van beiden in één; of aan

die van één in beiden. Ik ben de koning, want zoo staat de gelijkenis;

gij het bedelmeisje, want dit getuigt uw nederige stand. Zal ik uwe

liefde vorderen? dit mag ik doen. Zal ik uwe liefde afdwingen? dit

kon ik doen. Zal ik uwe liefde afsmeeken? dit wil ik doen. Wat

zult gij inwisselen voor uw raggewaden? prachtgewaden. Voor uw

namen? titels. Voor uzelf? mij. Alzoo, wachtende op uw antwoord,

profaneer ik mijn lippen aan uw voet, mijn oogen aan uw beeltenis en

mijn hart aan uw gezamenlijke persoon. 87

"De uwe, met de innigste nijverheid van toewijding,

"Don Adriano De Armado.

"Zoo hoort gij den Nemeër-leeuw nu brullen,

Lam, die als buit hem in de klauwen vielt;

Doch spelen zal hij, niet de maag zich vullen,

Wanneer gij voor zijn koningsvoeten knielt;

Maar wat, wat wordt gij, zoo gij met hem spot?

Prooi voor zijn woede, voorraad in zijn grot."

PRINSES. Wat voor een veêrbos is 't, die zulk een onzin schreef?

Wat weerhaan of gek, die het gekste nog overdreef?

BOYET. Bedenk ik wel, de stijl schijnt mij bekend te wezen.

PRINSES. Dat hoop ik, ja; gij hebt zoo pas den brief gelezen.

BOYET. Een Spanjaard is die Armado; hij heeft in 't park hier een

woning;

Een phantast, een Monarcho, een tijdverdrijf voor den koning

En voor zijn studiegenooten.

PRINSES. Gij knaap daar, zeg iets meer;

Wie gaf u dien brief?

DIKKOP. Ik zeide 't reeds, mijn heer.

PRINSES. Aan wien moest gij hem geven?

DIKKOP. Van mijn heer aan een juffer.

PRINSES. En spreek, van welken heer en aan welke juffer?

DIKKOP. Van de' eedlen heer Biron, dien 'k onderdanig diene,

Aan een juffer uit Frankrijk; hij noemt haar Rosaline.

PRINSES. Gij hebt den brief verwisseld.--Komt, heeren, mij na!--

(Tot Rosaline.) Hier, lieve, steek dien bij u; de rechte komt weldra.

(De Prinses en haar Gevolg af.)

BOYET. Wie is 't, die jaagt, die jaagt?

ROSALINE. Richt gij tot mij uw vragen?

BOYET. Ja, kort begrip van schoonheid!

ROSALINE. Die gij den boog ziet dragen.

Daar zijt gij goed bediend!

BOYET. Gehoornden wil zij dooden; doch inderdaad, huwt gij,

'k Laat mij hangen, dat jaar komt er horenvee bij.

Dit was raak! 115

ROSALINE. Nu, ik ben 't zelf, die jaag.

BOYET. En hebt ge een buit op 't oog?

ROSALINE. Naar horens ziend, uzelf; blijf ver dus, ducht mijn boog.

Dit was raak, inderdaad!

MARIA. Boyet, waagt ge u aan haar? zij weet uw voorhoofd te raken.

BOYET. En haar raak ik wat lager; dit schot is niet te wraken.

ROSALINE. Zal ik u bestoken met een oud gezegde, dat reeds een man

was, toen koning Pepijn van Frankrijk nog een kleine jongen was,

wat dat treffen betreft?

BOYET. Als ik u dan maar met een even oud gezegde mag antwoorden,

dat al een vrouw was, toen koningin Genevra van Brittanje nog een

klein meisje was, wat dat treffen betreft.

ROSALINE. Gij kunt niet raken, raken, raken,

Gij kunt niet raken, goede man.

BOYET. Zoo ik, zoo ik, zoo ik 't niet kan,

Dan komt een ander, die het kan.

(Rosaline en Catharina af.)

DIKKOP. Op mijn woord, recht vermaak'lijk; 't ging hard tegen hard!

MARIA. De schijf werd goed getroffen; want beiden troffen 't zwart.

BOYET. De schijf, zegt de jonkvrouw; de stop zij niet vergeten,

Die, wordt er getroffen, kan dienen om te meten.

MARIA. Voorwaar, links geschoten; de kluts zijt gij kwijt.

DIKKOP. Ja, om in 't zwart te treffen, is de afstand te wijd.

BOYET. Ben ik de kluts nu kwijt, dan is dit uwe schuld.

DIKKOP. 't Is tien tegen één, dat gij roos schieten zult.

MARIA. Te los zijt gij van tong, te snel, te schel, te fel.

DIKKOP. Het schieten gaat niet, heer; beproef het kegelspel.

BOYET. Ik vrees te veel poedels.--Nu, uiltje, slaap wel!

(Boyet en Maria af.)

DIKKOP. Nu, hij is een uil, een onnoozele bloed! 142

Heere, Heere, wat raakten de juffers en ik hem daar goed!

Wat grappen! zei hij iets, hij kreeg het terug,

En alles zoo glad van de tong, zoo vies en zoo vlug!--

Armado aan de' eenen kant,--o wat suikeren man!

Hoe hij een juffer kan voorgaan, den waaier haar dragen kan!

Een kushand te geven en aardig te zweren weet!--

En zijn page aan de' anderen kant, die handvol geest, die aap!

O hemel, wat is die peuzel een recht pathetische knaap!

(Jachtgedruisch achter het tooneel.)

Halloo! halloo!

(Dikkop af.)

Veel Gemin, geen Gewin · 第 26 / 73 题