KONING. Ach, schoone jonkvrouw, 'k heb een eed gezworen,--

PRINSES. Help, heil'ge maagd! mijn heer, hij wil dien breken!

KONING. Voor niets ter wereld, jonkvrouw, met mijn wil.

PRINSES. Uw wil toch zal hem breken, niets, niets anders.

KONING. Uw hoogheid weet, bevroedt niet, wat het is.

PRINSES. Als gij het ook niet wist, dan waart gij wijzer;

Want dat gij 't weet, bewijst onwetendheid.

Ik hoor, uw hoogheid zwoer gastvrijheid af;

Doodzonde, heer, is 't houden van dien eed;

En zonde ook is het, hem te breken.--Maar

Vergeef mij, 'k ben hier onberaden driest;

Het past mij niet, een leeraar les te geven.

Gelief het doel van mijne komst te lezen,

En geef een rasch bescheid op mijn verzoek.

(Zij overhandigt een geschrift.)

KONING. Is 't moog'lijk, ja; wees hiervan overreed.

PRINSES. 'k Geloof dit, want gij wenscht mij heen; ik weet,

Houdt gij mij op, dan breekt gij uwen eed.

BIRON. Heb ik in Brabant niet met u gedanst?

ROSALINE. Heb ik in Brabant niet met u gedanst?

BIRON. Ik weet, het is zoo.

ROSALINE. Hoe onnoodig dan

Mij dit te vragen!

BIRON. Dat is doorgedraafd!

ROSALINE. Dit komt door u, die met uw vraag mij spoort.

BIRON. Uw geest is vlug, maar loopt zich zóó ras dood.

Veel Gemin, geen Gewin · 第 19 / 73 题