EERSTE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het park. Op den achtergrond een paviljoen

en tenten.

De Prinses van Frankrijk, Rosaline, Maria, Catharina, Boyet, Edellieden

en verder Gevolg komen op.

BOYET. Wek nu, prinses, uw eêlste levensgeesten;

Denk, wie uw koninklijke vader zendt,

Tot wien hij zendt, en wat zijn zending is,

Uzelf, in 's werelds oog een rijk juweel,

Ten mondgesprek met de' een'gen erfgenaam

Van al wat ooit een man ten sieraad strekte,

Navarra's roem; en dit voor niets geringers,

Dan Aquitanië, een koninginne-bruidschat.

Wees met uw zeldzaam schoone gratie mild

Zooals natuur, die gratie zeldzaam maakte,

Toen zij der gansche wereld die onthield,

Om in haar mildheid alles u te schenken.

PRINSES. Mijn schoonheid, vriend Boyet, hoewel gering, 13

Behoeft de kleuring van uw lofspraak niet;

Naar 't oordeel van het oog koopt elk de schoonheid,

Niet naar de opvijz'ling van eens koopmans tong.

Ik ben veel minder trotsch op uwen lof,

Dan gij naar roem verlangend om 't vernuft,

Dat gij verkwist om mijn vernuft te prijzen.

Doch nu een taak, voor wie een taak mij gaf!--

Gij weet, hoe 't alles meldende gerucht

Verbreidde, dat Navarre heeft gezworen,

Aleer drie jaar in studie zijn gesleten,

Geen vrouw te ontvangen aan zijn zwijgend hof;

En daarom komt het ons noodzakelijk voor,

Aleer we aan zijn verboden drempel treden,

Te weten, wat hij wil; en daartoe lezen

Wij, zeker van uw kloeken geest, u uit,

Als onzen best betrouwb'ren pleitbezorger.

Ga, deel hem mee, dat Frankrijks koningsdochter

Ter wille van een zaak, die spoed vereischt,

Met zijn genade een mondgesprek verlangt.

IJl, meld dit; ondertusschen wachten wij

Zijn wil als arme smeekelingen af.

BOYET. Trotsch op die taak, spoed ik mij ijv'rig heen.

PRINSES. Juist; ijver is aan allen trots gemeen.

(Boyet af.)

Zeg, waarde heeren, wie zijn de eedgenooten

Des wijzen konings bij zijn deugdzaam streven?

EERSTE EDELMAN. 'k Weet Longaville er van.

PRINSES. Kent gij dien man?

MARIA. Ik ken hem, jonkvrouw; op een bruiloftsfeest

In Normandië, toen graaf Périgord

Met de erfgenaam van Jacques Falconbridge

In de' echt trad, zag ik dezen Longaville.

Men roemt hem algemeen als hoogst begaafd,

In kennis rijk, met wapenroem gesierd,

Welslagend steeds in wat hij ernstig wil. 46

Ja, de een'ge vlek op zijner deugden glans,--

Als ooit een vlek aan deugd haar glans kan rooven,--

Is scherp vernuft bij al te plompen wil.

Zijn geest heeft macht tot snijden, en zijn wil

Wil niemand sparen, wien zijn macht bereikt.

PRINSES. Een spotboef naar uw zeggen dus, een guit?

MARIA. Zijn vrienden zeggen 't; juist is uw besluit.

PRINSES. Een vuur, zoo fel, brandt meestal schielijk uit.--

En wie zijn de and'ren?

CATHARINA. Dumaine, een edel jonkman, fijn beschaafd,

Om deugd aan ieder lief, wie deugd bemint;

Met macht, maar zonder 't hart, om kwaad te stichten,

Met geest, die ook 't onschoone schoon zou maken,

Met schoon, dat harten wint ook zonder geest.

Ik zag hem eens bij hertog Alençon,

En veel te zwak, bij 't goede dat ik zag,

Is mijn bericht, bij zijn waardij geleken.

ROSALINE. Nog één van deze wijsheidzoekers was

Daar toen bij hem; als, wat ik hoorde, waar is,

Heet hij Biron; met opgeruimder man,--

Wiens blijheid toch aldoor betaam'lijk blijft,--

Heb ik nog nooit een uurtje doorgekeuveld.

Zijn oog schept immer stoffe voor zijn geest,

Want ieder voorwerp, dat het eene treft,

Weet de and're tot een blijde scherts te maken,

Die dan zijn tong, vertolkster van zijn luim,

In zoo geschikte en schoone woorden kleedt,

Dat zelfs der grijzen oor moedwillig wordt,

En jonger hoorders ras zijn meegesleept;

Zoo boeiend, fijn gekruid is wat hij zegt.

PRINSES. God hoede u, meisjes! Allen zoo verliefd,

Dat elk van u haar liev'ling heeft gesierd

Met zulk een rijken schat van eer en lof?

EERSTE EDELMAN. Daar komt Boyet.

(Boyet komt terug.)

PRINSES. Nu, heer, hoe is de ontvangst?

BOYET. Navarre wist reeds van uw lieflijk naad'ren;

En stond juist, hooge meesteres, gereed

Om met zijn eedgenooten u te ontmoeten,

Toen ik daar kwam. Doch zooveel weet ik reeds:

Hij laat u eer in 't open veld kampeeren,

Alsof gij hier zijn hof beleeg'ren kwaamt,

Dan hij de strengheid van zijn eed ontduikt

En u zijn eenzaam hof betreden laat.

Daar komt Navarre. 89

(De Dames doen haar maskers voor.)

(De Koning, Longaville, Dumaine en Biron komen op, met Gevolg.)

KONING. Schoone prinses, welkom aan het hof van Navarre!

PRINSES. Het "schoon" geef ik u terug, en het "welkom" heb ik nog niet;

het dak van dit hof is te hoog om het uwe te zijn, en een welkom in

het open veld te laag bij den grond om het mijne te zijn.

KONING. Gij zult mij welkom wezen aan mijn hof.

PRINSES. Dan wil ik welkom zijn. Geleid mij derwaarts!

Veel Gemin, geen Gewin · 第 18 / 73 题