BIRON. Hoe laat is 't wel?
ROSALINE. Het uur, dat dwazen vragen.
BIRON. Moog' heil uw masker dagen!
ROSALINE. En mijn gelaat beschijnen!
BIRON. Heb minnaars bij dozijnen!
ROSALINE. En beet're, dan gij zijt.
BIRON. Ik ga; 't is meer dan tijd.
KONING. Prinses, uw vader spreekt in zijnen brief
Van 't afdoen van een honderdduizend kronen,
Wat echter slechts de helft is van de som,
Die hem mijn vader voorschoot voor den krijg.
Doch stel, dat hem of ons,--wat niet gebeurde,--
Die som betaald was, dan bleef de and're helft
Toch onbetaald, waarvoor aan ons als pand
Een deel van Aquitanië is afgestaan,
Schoon dit de waarde van het geld niet heeft.
Indien uw koninklijke vader ons
Die onbetaalde helft nu afdoen wil,
Dan staan wij gaarne 't onderpand weer af
En blijven zijner hoogheid goede vriend.
Doch hierop, schijnt het, heeft hij weinig plan,
Want hij verlangt hier de terugbetaling
Van honderdduizend kronen, en vraagt niet,
Na kwijting van een honderdduizend kronen,
't Bezit van Aquitanië weer terug,
Wat wij veel liever hem weer zouden afstaan
Mits ons 't geleende geld wierd uitbetaald,
Dan dat wij dat besnoeid stuk lands behouden.
Prinses, waar' zijne vord'ring niet veel grooter
Dan billijk is, licht zoude uw schoon mijn hart
Toegeef'lijker doen zijn dan billijk waar',
Zoodat gij welvoldaan naar Frankrijk keerdet.
PRINSES. Gij doet den koning mijnen vader onrecht,
En onrecht aan uw eigen goeden naam,
Zoo gij aldus de ontvangst te looch'nen schijnt,
Van wat voorwaar zoo trouw reeds werd betaald.
KONING. Geloof mij, nooit heb ik hiervan gehoord;
Bewijs dit, en ik zal voldoen, of sta
U Aquitanië af.
PRINSES. Een man een woord.
Boyet, gij kunt den kwijtbrief overleggen
Voor deze som, van hen, die volmacht hadden
Van Karel zijnen vader.
KONING. Goed, vertoon dit.
BOYET. Verschoon, 't pakket is nog niet aangekomen
Met dit en andere overtuigingsstukken; 165
Doch morgen zult gij inzage er van hebben.
KONING. Dit zal voldoende zijn, en dan zal ik
Toegeven, wat ik kan in reed'lijkheid.
Doch neem nu zulk een welkomst van mij aan,
Als eere, zonder eerebreuk te plegen,
Aan uw hooge waarde bieden kan.
Ik mag u in mijn poorten niet ontvangen;
Hierbuiten echter wacht u zulk onthaal,
Dat gij erkent, hoe ge in mijn harte woont,
Al moet ik in mijn huis u herberg weig'ren.
Dat dus uw eigen goedheid mij ontschuldig;
Vaarwel; ik hoop u morgen weer te zien.
PRINSES. Verzell' steeds heil en welzijn uwe schreden!
KONING. 'k Wensch u denzelfden wensch, mij toegebeden!
(De Koning met zijn Gevolg af.)
BIRON. Mejonkvrouw, ik wil u aan mijn eigen hart aanbevelen.
ROSALINE. Ik bid u, doe er van mij de aanbeveling bij, dat het zich
mij toone, zooals het is.
BIRON. Ik wenschte, dat gij het hoordet zuchten.
ROSALINE. Is 't arme ding dan krank?
BIRON. Mijn hart is hard ziek.
ROSALINE. Onttap het dan wat bloed.
BIRON. Gij denkt dus, dit waar' goed?
ROSALINE. O, dan is 't dra gezond.
BIRON. Zoo prikke uw oog de wond.
ROSALINE. Neen, 'k wil mijn mes u geven.
BIRON. Nu, God behoede uw leven!
ROSALINE. En 't uwe, voor hooge jaren!
BIRON. Nu kan ik mijn dank wel sparen.
(Hij treedt ter zijde.)
DUMAINE (tot Boyet). Vergun mij, heer, een woord. Zie ginds, wie is
die dame?
BOYET. Zij is een Alençon, en Rosaline bij name.
DUMAINE. Een prachtige edelvrouwe. Dank, Monsieur, vaarwel!
(Dumaine af.)
LONGAVILLE. Vergun, wie is die dame, daar in het wit gewaad?
BOYET. Een meisje, heer, zoo gij in 't licht haar gadeslaat.
LONGAVILLE. In 't donker wellicht ook. Haar naam is 't, dien ik vraag.
BOYET. Één heeft ze er slechts voor zich; wie dien haar vraagt,
doet laag. 200
LONGAVILLE. Wiens dochter is zij, meende ik.
BOYET. Ik meen wel, van haar moeder.
LONGAVILLE. Vaarwel, heer, word ouder en vroeder!
BOYET. Bedaard, heer, niet verstoord!
Zij is een Falconbridge.
LONGAVILLE. 't Is over, op mijn woord.
Ze is lieflijk, zoo maagd'lijk!
BOYET. Op mijn eer, ze is behaag'lijk.
(Longaville af.)
BIRON. Wie is die met den hoed?
BOYET. Catharina, geen bloed.
BIRON. En heeft ze al een man?
BOYET. Ze is zoo mans, als 't maar kan.
BIRON. 'k Heet u welkom hier. Vaarwel, Monsieur!
BOYET. De welkomst voor u, heer; voor mij het adieu.
(Biron af.--De dames ontmaskeren zich.)
MARIA. Die laatste is Biron, wien dolle luim bekoort;
Elk woord met hem is een scherts.
BOYET. En elke scherts maar een woord.
PRINSES. Gij hebt het goed gemaakt; gij vattet hem op 't woord.
BOYET. Zoo graag hij ent'ren wilde, zoo graag klampte ik aan boord.
MARIA. Twee vurige schapen!
BOYET. Neen, schepen zijn we eer beide';
Geen schaap, lief lam, word ik, dan met uw mond tot weide.
MARIA. Gij schaap, ik gras? Mij dunkt, de scherts is wèl geweest.
BOYET. Als gij mij vergunt te grazen.
(Hij wil haar kussen.)
MARIA. Neen, neen, mijn teeder beest!
Mijn mond? 't is geen gemeentegrond, ofschoon het weide zij.
BOYET. Aan wien behoort het veld dan?
MARIA. Aan mijn geluk en mij.
PRINSES. Wat geest heeft, dat kibbelt. Maar, vrienden, legt dit bij.
Richt liever op Navarre en op zijn boekwurmgild
Die roerigheid uws geestes, want hier is zij verspild. 227
BOYET. Indien mijn scherpe blik,--die zelden valsch besluit,--
Op 's harten stomme taal, die zich in de oogen uit,
Mij niet bedriegt, dan is Navarre reeds verloren.
PRINSES. Hoe zoo?
BOYET. Wij minnaars noemen zijn kwaal: verliefd tot over de ooren.
PRINSES. En uwe reed'nen?
BOYET. Zijn doen en gebaren, 't was al naar zijn oogen,
Als burg, waar 't verlangend door uitkeek, getogen;
Zijn hart, als een agaatsteen besneên met uw beeld,
Heeft, trotsch hierop, trots in het oog hem geteeld;
Zijn tong, wie 't verdroot niet te zien, slechts te spreken.
Drong stromp'lend om zich in zijn oog te versteken;
Geen zin, die zich niet naar dien zin had begeven;
De schoonste der schoonen te zien was hun streven.
Zijn oog omsloot al zijn zinnen, naar mij dacht,
Zooals kristal juweelen, voor vorsten saamgebracht;
Zij toonden hunnen gloed, door 't schitt'rend glas omringd,
En wenkten u tot koopen, wanneer gij langs hen gingt.
Zijn gelaat had als randschrift bewond'ring uitgedrukt;
En ieders oog zag zijn oog van wat het zag verrukt.
Ik geef u Aquitanië en alles, wat hij heeft,
Als gij op mijnen raad één zoeten kus hem geeft.
PRINSES. Naar de tent nu; gij ziet, hoe Boyet ons begekt.
BOYET. Neen, neen; hij spreekt uit, wat zijn oog heeft ontdekt.
Hij spot niet--ik zweer het--maar maakt van zijn oog
Een mond met een tong, die nooit iemand beloog.
ROSALINE. Hij is een oude kopp'laar, die nooit niet bedroog.
MARIA. Grootvader van Cupido, en die verdwaast hem gruw'lijk.
ROSALINE. Dan leek Venus op haar moeder, want haar vader is
afschuw'lijk.
BOYET. Zottinnen, hoort gij?
MARIA. Neen.
BOYET. En ziet gij ook niets meer?
ROSALINE. O ja, ons pad naar huis.
BOYET. Gij plaagt mij al te zeer.
(Allen af.)