Armado's huis in het park.
Armado en Mot komen op.
ARMADO. Knaap, wat beteekent het, als een man van grooten geest
melancholiek wordt?
MOT. Dat beteekent ontegenzeggelijk, heer, dat hij er droefgeestig
zal uitzien.
ARMADO. Wel, droefgeestigheid is juist een en hetzelfde, mijn lief
entrijs.
MOT. O neen, heer; God beware, neen.
ARMADO. Hoe kunt gij droefgeestigheid en melancholie van elkander
scheiden, mijn teedere juvenalis?
MOT. Door een gemoedelijke demonstratie harer werking, mijn taaie
senior.
ARMADO. Waarom taaie senior? waarom taaie senior?
MOT. Waarom teedere juvenalis? waarom teedere juvenalis?
ARMADO. Ik zeide dit, teedere juvenalis, als een eigenaardig epitheton,
dat aan uw jonge jaren toekomt, welke wij als teeder mogen stempelen.
MOT. En ik, taaie senior, als een passende titel voor uwen ouden dag,
welken wij als taai mogen munten.
ARMADO. Aardig en vaardig.
MOT. Hoe bedoelt gij dat, heer? Ik aardig en mijn praten vaardig? of
ik vaardig en mijn praten aardig?
ARMADO. Gij aardig, omdat gij klein zijt.
MOT. Klein is weinig, dus weinig aardig. Waarom vaardig?
ARMADO. En vaardig, omdat gij vlug zijt.
MOT. Zegt gij dit tot mijn lof, meester?
ARMADO. Tot uw rechtmatigen lof.
MOT. Dan wil ik een aal denzelfden lof geven.
ARMADO. Wat! dat een aal scherpzinnig is?
MOT. Dat een aal vlug is.
ARMADO. Nu, ik zeg, gij zijt vlug met uw antwoorden. Gij verhit mij
het bloed.