Don Adriano de Armado."

BIRON. Dit is niet zoo goed als ik verwachtte, maar het beste, wat

ik ooit gehoord heb.

KONING. Ja, het beste onder het slechtste.--Knaap, wat zegt gij hierop?

DIKKOP. Heer, de deerne beken ik.

KONING. Hadt gij de afkondiging gehoord?

DIKKOP. Ik beken, goed gehoord, maar weinig er naar geluisterd.

KONING. Er werd een jaar gevangenisstraf afgekondigd, voor wie met

een deerne werd aangetroffen.

DIKKOP. Ik werd met geen deerne aangetroffen, heer; ik werd betrapt

met een meisje.

KONING. De afkondiging sprak ook van meisjes.

DIKKOP. Zij was ook geen meisje, heer, zij was een maagdeke.

KONING. Dat was ook voorzien, de afkondiging sprak ook van maagdekes.

DIKKOP. Als dat zoo is, ontken ik haar maagdekeschap; ze was eenvoudig

maar een maagd.

KONING. Die maagd zal u tot niets dienen, vriend!

DIKKOP. Die maagd kan mij wel tot iets dienen, heer.

KONING. Ik wil uw vonnis uitspreken, man; gij zult een week vasten

met zemelbrood en water.

DIKKOP. Ik zou liever een maand bidden met schapenbout en soep.

KONING. En Don Armado zal uw wachter zijn.--

Biron, zie toe, dat dit wordt uitgevoerd.

Komt, vrienden, nu aan 't werk met frisschen moed;

Denkt aan uw eed; geen onzer mag bezwijken.

(De Koning, Longaville en Dumaine af.)

BIRON. Mijn hoofd verwed ik tegen ied'ren hoed,

Dat eed en wet welras een dwaasheid blijken.

Vooruit, knaap!

DIKKOP. Ik lijd voor de waarheid, heer: want waar is het, dat ik met

Jacquenetta ben betrapt, en Jacquenetta is een waarachtig meisje. En

daarom wees mij welkom, gij bittere kelk des heils! Misschien zal

mij de droefenis weder eens toelachen, en neem tot zoo lang uw rust,

o kommer!

(Allen af.)

Veel Gemin, geen Gewin · 第 14 / 73 题