MOT. Ik heb mijn antwoord, heer. 33

ARMADO. Ik ben niet thuis in zulk een klinkklank.

MOT (ter zijde). Omgekeerd: klinkklank is bij hem niet thuis.

ARMADO. Ik heb beloofd drie jaar met den vorst te studeeren.

MOT. Dit kunt gij wel in één doen, heer.

ARMADO. Onmogelijk.

MOT. Hoeveel is één, driemaal geteld?

ARMADO. Ik ben zwak in het rekenen; dat is goed voor de ziel van

een tapper.

MOT. Gij zijt een edelman, en een speler, heer.

ARMADO. Beide erken ik; beide zijn het vernis van een man van de

wereld.

MOT. Dan weet gij toch ook zeker, hoeveel oogen twee en aas zijn.

ARMADO. Een meer dan twee.

MOT. Wat het lage gemeen drie noemt.

ARMADO. Juist!

MOT. Wel, heer, is dit nu zulk een geweldige studie? Zie daar hebt

gij drie uitgestudeerd, eer gij driemaal met uw oogen kondt knippen;

en hoe gemakkelijk het is, jaren te zetten bij het woord drie, en drie

jaar in twee woorden te studeeren, kan het dansende paard u wel zeggen.

ARMADO. Een recht fraai voorbeeld!

MOT (ter zijde). Dat u een nul doet blijken.

ARMADO. Ik wil alsnu belijden, dat ik verliefd ben; en daar de liefde

een soldaat verlaagt, ben ik op een lage deerne verliefd. Als het

trekken van mijn zwaard tegen de neiging tot teederheid mij van

de onwaardige gedachte hieraan bevrijden kon, zou ik het verlangen

krijgsgevangen maken, en bij een Fransch hoveling uitwisselen tegen een

nieuw uitgedachte hoffelijkheid. Ik acht het een schande te zuchten;

mij dunkt, ik zou Cupido weg kunnen vloeken. Troost mij, knaap. Welke

groote mannen zijn verliefd geweest?

MOT. Hercules, meester.

ARMADO. Die allerliefste Hercules!--Meer voorbeelden, beste knaap,

noem er meer; en, lieve jongen, zorg, dat het mannen zijn, goed van

naam en gedrag.

MOT. Simson, meester; hij was een man van goed gedrag, van groote

dracht; want hij droeg de stadsdeuren op zijn rug als een portier,

en hij was verliefd. 76

ARMADO. O, welgebouwde Simson! sterk gewrichte Simson! ik overtref

u zoo ver met mijn rapier, als gij het mij doet in het dragen van

deuren. Ik ben ook verliefd. Wie was Simsons geliefde, mijn beste Mot?

MOT. Een vrouw, meester.

ARMADO. Van welke complexie?

MOT. Van alle vier, of van drie, of van twee, of van één van de vier.

ARMADO. Zeg mij nauwkeurig, van welke complexie.

MOT. Van de zeegroene, meester.

ARMADO. Is dat een van de vier complexies?

MOT. Naar ik gelezen heb, ja, heer; en de beste er van.

ARMADO. Groen is inderdaad de kleur der verliefden; maar een

geliefde van die kleur te hebben, daartoe had Simson, dunkt mij,

weinig reden. Hij beminde haar, vermoed ik, van wege haar geest.

MOT. Zoo was het, heer, want haar geest was groen.

ARMADO. Mijn geliefde is vlekkeloos wit en rood.

MOT. Zeer bevlekte gedachten, heer, kunnen onder die kleuren verscholen

zijn.

ARMADO. Verklaar dit, verklaar dit, wel onderricht knaapje!

MOT. Mijns vaders geest, en mijn moeders tong, staat mij bij!

ARMADO. Een liefelijke aanroeping voor een kind; zeer aardig en

pathetisch!

MOT. Is eenig meisje rood en wit,

Niets brengt haar ooit van streek;

Maak' schaamte ook and'rer wang verhit,

En bange vreeze bleek,--

Of zij al vreest of kwaad bedrijft,

Zij draagt dit niet te pronk;

Wijl hare kleur dezelfde blijft,

Als die natuur haar schonk.

Een gevaarlijk rijm, heer, tegen het oordeel van wit en rood.

ARMADO. Is er geen ballade, knaap, van den Koning en de Bedelaarster?

MOT. De wereld maakte zich voor omtrent drie menschengeslachten

aan die ballade schuldig; maar nu, geloof ik, is zij niet meer

te vinden, of, al mocht dit het geval nog zijn, dan is zij niet

meer te gebruiken, noch voor de woorden, noch voor de wijs.

119

ARMADO. Ik wil die geschiedenis op nieuw laten berijmen,

om mijn afdwaling met een doorluchtig voorbeeld te kunnen

rechtvaardigen. Knaap, ik bemin het landmeisje, dat ik in het park met

den verstandelijken lummel Dikkop aantrof; zij heeft alle aanspraak.

MOT (ter zijde). Op de tuchtroede, maar toch nog op een beter minnaar

dan mijn meester.

ARMADO. Zing, knaap; de min bezwaart mijn hart.

MOT. Dat verwondert mij zeer, daar gij een lichte deern bemint.

ARMADO. Zing, zeg ik.

MOT. Heb geduld, tot dit gezelschap voorbij is.

(Dom, Dikkop en Jacquenetta komen op.)

DOM. Heer, de vorst heeft goedgevonden, dat gij Dikkop in verzekerde

bewaring houdt; en gij moet hem geen genoegen en geen penitentie

gunnen, maar hij moet drie dagen in de week vasten. Wat deze juffer

betreft, ik moet haar in het park bewaken; zij is tot dagloonster

benoemd. Vaarwel.

ARMADO. Ik verraad mij door mijn blozen.--Meisje!

JACQUENETTA. Man!

ARMADO. Ik wil u aan de hut komen opzoeken.

JACQUENETTA. Dat is er na.

ARMADO. Ik weet die wel te vinden.

JACQUENETTA. Heere, Heere, wat zijt gij knap!

ARMADO. Ik zal u wonderen vertellen.

JACQUENETTA. Daar ziet ge wel naar uit.

ARMADO. Ik bemin u.

JACQUENETTA. Wat gij zegt!

ARMADO. En nu, vaarwel!

JACQUENETTA. Ik wensch u mooi weer!

DOM. Kom, Jacquenetta, vooruit!

(Dom en Jacquenetta af.)

ARMADO. Booswicht, gij zult voor uw misdaden vasten, eer gij

vergiffenis krijgt.

DIKKOP. Nu, heer, ik hoop, dat, als ik het doen moet, ik het op een

volle maag zal doen.

ARMADO. Gij zult zwaar gestraft worden.

DIKKOP. Dan ben ik u meer verplicht dan uw dienaars, want die worden

maar licht beloond.

ARMADO. Voer den booswicht weg, sluit hem op.

MOT. Kom, gij lage zondaar, voort!

DIKKOP. Doe mij niet opsluiten, heer; ik kan ook buiten banden vasten.

MOT. Neen, man, dat zou een losbandige vastentijd zijn; gij moet in

de gevangenis.

DIKKOP. Nu, als ik ooit de blijde vrije dagen van disperatie terugzie,

die ik vroeger zag, dan zullen sommige menschen zien--

MOT. Wat zullen sommige menschen zien?

DIKKOP. Nu, niets anders, sinjeur Mot, dan waar zij op kijken. Het

past gevangenen niet, al te silentieus te zijn in hun woorden, en

daarom zal ik niets zeggen; ik dank God, dat ik even weinig patientie

heb als ieder ander; ik kan daarom nu stil zijn.

(Mot en Dikkop af.)

ARMADO. Ik bemin zelfs den grond, die laag is, waarop haar schoen,

die lager is, bestuurd door haar voet, die het laagst van alle

is, treedt. Ik zal meineedig zijn,--wat toch een groot bewijs

is van trouweloosheid,--indien ik verliefd ben. En hoe kan dat

trouwe liefde zijn, wat met trouweloosheid begint? Liefde is een

gedienstige geest; Liefde is een duivel; daar is geen booze geest,

dan de Liefde. Toch werd Simson evenzoo verzocht, en hij had een

uitstekende lichaamskracht; toch werd Salomo evenzoo verleid, en hij

had een zeer goed verstand. Cupido's pijl is voor Hercules' knots te

sterk, en daarom des te meer voor het rapier van een Spanjaard. De

eerste en tweede reden tot een tweegevecht helpen mij niets; den

passado respecteert hij niet; op het wetboek van het duel slaat hij

geen acht. Zijn schande is, dat hij een knaap heet, maar zijn roem is,

dat hij mannen overwint. Vaarwel, dapperheid! roest, rapier! zwijg,

trommel! want uw meester is verliefd; ja, hij bemint! Dat de een

of ander extempore rijmgod mij bijsta! want ik voel, dat ik een

sonnettendichter word. Denk uit, vernuft; schrijf, pen! want ik heb

plan op geheele boekdeelen in folio.

(Armado af.)

Veel Gemin, geen Gewin · 第 16 / 73 题