(APPELLES EN DE SCHOENMAKER.)
Schoen-makers! luistert, hoe de kloekste schildersgeest
U allen blijven leert bij uwen houten leest.
1 _Corinth._ 7.
Een ieder blijve in 't geen (zoo lange als hij hier leeft),
Daar hem de lieve God zelf in beroepen heeft.
Apelles, schilders-prins, zijn naakte Venus schoone
Bracht voor 't gemeene volk in't openbaar ten toone,
Maar eenen schoeyer[400] heeft zijn werk berispet plat[401],
Om dat vrouw Venus schoe te weinig strikken had;
Den schilder al terstond zoo haast men hem dit anbracht,
(Dewijl't een zake was, die des schoenmakers ambacht
Betrof) heeft met 't pinceel geholpen[402] deze fout.
Waarom den ambachtsman hoveerdig werd en stout,
Als hij na dezen zag, dat 't gene was verbeterd
't Welk hij geoordeeld had te slecht te zijn geveterd:
Dies voer hij trotscher voort en voor een ieder sprak,
Dat aan vrouw Venus' scheen ook vrij al wat gebrak.
Apelles hoorde dit en sprak, met stillen geeste:
"Schoenmaker! ziet wel toe, en blijft bij uwen leeste,
Daar gij u op verstaat, en weest niet zoo gereed[403]".
Hij dwaalt, die vonnist 't geen, daar hij niet van en weet.