LXXIV.

(ZEUXIS EN PARRHASIUS.)

Ziet, hoe twee schilders hier, elk een om't beste deel,

Vast schilderen om strijd met 't verwige pinceel.

_Eccles._ 9.

Hun werken zullen in der konstenaren hand

Altijd geprezen zijn, van 't eene in 't ander land.

De schilder Zeuxis heeft zeer kunstig, met verstand,

Een kind met eenen tros[404] gemaald in zijne hand,

Waarna de vogelen al graag en hongrig vlogen;

Maar komende daar aan, zoo waren zij bedrogen.

Waarom Parrhasius hier over heeft gesmaald:

"Indien 't kind" (zeide hij) "waar levende afgemaald,

De vooglen hadden naar de druif niet dorven pikken,

Dewijl zij in 't gemeen voor menschen zich verschrikken":

En ging zoo al terstond (uit drijven der natuur)

Een plooyige gordijn betrekken[405] op den muur,

Die zoo getroffen was, zoo levendig en milde,

Dat Zeuxis, als hij kwam, die zelfs oplichten wilde.

Aldus Parrhasius had, met een listig oog,

Verschalkt zijn meester, die de vogelen bedroog.

De complete werken van Joost van Vondel. Vergelijking van de Verlossinge der Kindren Israels met de Vrijwording der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, [etc.] · 第 103 / 105 题