(SCHILDERKUNST.)
Hoe eenen herder eerst het levendige beeld
Der schoone schilderkonst in Grieken[396] heeft geteeld.
_Ezech._ 4.
Een effen tafel neemt, en luistert naar mijn stem,
Trekt daar naar 't leven op de stad Jeruzalem.
Terwijl, in Grieken-land, de herder gaat verknapen[397]
Zijn kudd', naar 't leven hij de schim van zijne schapen
Natuurlijk trekt in 't zand: als nu de schaâu vertrok,
Had hij een wollig vlies gemaald met zijnen stok.
Aldus werd aldereerst, met heur veel-verfde wieken,
De schoone Schilder-konst gebaard bij d' edel Grieken,
Pictura[398], die voortsaan[399] met een blijde aangezicht
De wereld heeft verheugd, en wonderlijk gesticht:
Die ons gezicht bedriegt, als 't platte schijnt verheven,
Het stomme spreken, en het doode schijnt te leven,
Het gene stille staat, als of het zich beroert;
Dies is zij weerdig, dat men heur ten Hemel voert.