(WATER EN VUUR.)
Van 't water en van 't vuur een kluchtige verhaling,
Waar uit wij naakt verstaan der Heid'nen blinde dwaling.
_Sapien._ 13.
Gansch ijdel is de mensche, en blind gelijk een rots,
In welke niet en is de kennis onzes Gods.
Het vuur bij den Perziêrs (als die niet[392] beters wisten)
Als God werd hoog ge-eerd; het welk met grooter listen
Van eenen priester werd zeer aardiglijk bespot:
Want hij met water vocht[393] gevuld heeft eenen pot,
Die al vol gaatkens was, gestopt met wasch te zamen,
En maakten hem een hoofd, zeer aardig na 't betamen.
Den Afgod, zoo hij was (ziet, dat gij niet en lacht),
Heeft hij voor 't heete vuur zeer kluchtig voorts gebracht.
Het wasch versmolt terstond, het water sprong daar henen,
En bluschte zoo geheel den God des Vuurs met eenen.
Dies werd de water-kruik (ô wonderlijk bestier!)
Voortsaan bij den Perziêrs ge-eerd in plaats van 't vier.
't Gaat zoo nog hedendaags, wanneer wij daar opmerken,
Elk een die houdet[394] vast[395] noch altijd met den sterken.