(MENSCH EN MUIL.)
Ziet Apulejus hier, met toover-zalve vuile,
Besmeeren zijn naakt lijf, en werden eenen muile[381].
2 _Reg._ 17.
Toen Satan Jacobs huis tot tooverije bracht,
Nam God hun midden weg uit 't menschelijk geslacht.
Toen Apulejus zich met toover-vet besmeerde,
In eenen ezel hij lichamelijk verkeerde,
En loopt zoo naar den stalle, om eten uit de kreb,
Daar hij gestooten werd, op zijne magre reb[382],
Van zijn beslagen paard; dies vlucht hij tot Hippone
't Goddinnen beeld, 'twelk daar staat in den stal ten toone,
Opdat, door middel van de rozen (zoo hij waant),
Daar 't beeld mede is gecierd, zijn vorige gedaant
Hij dus bekomen mocht: maar naauw licht hij zijn voeten,
Of de stal-jongen komt hem met stokslagen groeten,
Zoo lange tot hij hoort een wonderlijk gedruisch
Van dieven, die terstond bezetten 't gansche huis,
En rooven zoo veel schats, en rooven zooveel goeden[383]
Dat neffens hunnen last zij dezen ezel loeden[384],
En stouwen hem zoo voorts, met kluppel-slagen vast[385],
Langs eenen steilen weg, met zulken zwaren last.
Philebum dient hij nu; nu vlucht hij gaauw en wakker
Voor 't mes van eenen kok; nu dient hij eenen bakker,
Nu eenen hovenier; nu draagt hij, op zijn ruig
En mager ruggebeen, eens krijgers wapen-tuig;
Nu zal den armen muil des ridders zadel vueren[386], enz.
En ondertusschen heeft[387] zoo duizend avonturen
In zijne beestelijkheid; den kommer en d' ellend,
De slagen, d'ongemak, den honger neemt geen end',
Daarmeê hij wordt bezwaard: nu kleunt men hem met stokken,
Nu is hij in 's doods nood, nu rot hij vande pokken[388],
Zoo lange dat op 't lest hem Ceres weder bald[389]
Door eenen rozen-hoed[390] brengt tot zijn mensch gestalt'.
Maar zegt mij, Zang-goddinne! als ik hier recht naar vorssche,
Wat voor geheimenis schuilt onder deze schorse?--
Die willig zijnen hals buigt onder 't snoode jok
Der zonden, wordt bekleed met eenen ezels rok,
Verliest zijn mensch'lijkheid, en met veel ongemakken
Door 's werelds wilde woud reist met veel zware pakken:
Zijn vrijheid is hij kwijt, en maakt, alzoo getrost,
Een ezel van zich zelf, die, om den magren kost,
Zoo grooten slavernij en dienst is onderworpen:
Hij dwaalt, hij rent, hij loopt, door steden en door dorpen,
In duizenderlei pijne, in duizenderlei smert,
Tot dat hij, moê geslaafd, in 't lest aandachtig werd[391],
Bedenkende, hoe hij zijn menschheid heeft verloren,
Dies hij de Godheid bidt om weder zijn herboren;
En als hij zoo 's vleesch lust (den schoonen rozen-hoed,
Die m' uit de doornen plukt) verslindt in zijn gemoed,
Hij tot zich zelven komt, en wordt, naar zijnen wensche,
Van eenen slaafschen muil zoo weder vrije mensche.--