LXVIII.

(DWAZE OPHEF.)

Leergierige! leert hier, aan een gecierde rave,

Dat gij u niet verheft in iemands anders have.

_Eccles._ 11.

In cierlijk schoon gewaad verheugt u niet al t' seffen[377],

Noch wilt u in den dag der eeren niet verheffen.

De zwart geveêrde raaf, gecierd met veler vogels

Veel-verfde pluimen, aan zijn borst en om zijn vlogels,

Zich dwaselijk verheft, als hij in 't kristalijn

Van eene zilveren beek ziet zijnen schoonen schijn,

Gedenkende niet eens, hoe 't einde wil gelukken,

Als elken vogel komt zijn veêren weder plukken.

O zoete fabel! die op 't hoofd zoo dapper treft

Den genen, die op 't goed eens anders zich verheft,

En niet gedachtig is, als elk het zijn zal halen,

Hij naakt zal wederom met schanden[378] moeten dalen.

Hoe menig vogel nog de dunne locht doorsnijdt,

Die, waar hij alle zijn geleende pluimen kwijt,

Die hij op woeker heeft, hij waar geen overvlieger,

Maar speelde _bankeroet_, gelijk een recht bedrieger.

De complete werken van Joost van Vondel. Vergelijking van de Verlossinge der Kindren Israels met de Vrijwording der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, [etc.] · 第 97 / 105 题