LXVI.

(KLEIN MAAR REIN.)

't Klein vischken Remora kan lichtelijk terstond

Bekrijgen een groot schip, en stooten't in den grond.

_Job._ 12.

Gaat, vraagt uw moeder de aarde, opdat zij 't u bediede,

De visschen zullen u vertellen het geschiede.

Het vischken Remora, lang eenen halven voet,

Heeft eenen hoorn in 't hoofd, daar 't groot geweld meê doet;

Want het Antonij[371] groot galioen verletten,

Daar 't opgeblazen kwam met volle zeilen zetten

In 't Adriatisch meer, en boorde 't schier te grond:

Waarom Erasmus dit, met zijnen gulden mond,

Tot een gelijkenis gebruikt heeft, zonderlingen[372]

Bij 't kleine lid, de tong, die zulke groote dingen

In korten tijd beschikt, gelijk als 't roer, dat 't schip

In een goê haven stiert, of 't op een herde klip

Schip-breuke lijden doet. Laat ons hier altijd leeren,

Dat in 't klein schepsel meest uitmunt de kracht des Heeren!

De complete werken van Joost van Vondel. Vergelijking van de Verlossinge der Kindren Israels met de Vrijwording der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, [etc.] · 第 95 / 105 题