(POLYCRATES.)
Hier zit Polycrates, die der fortuinen rad
Gestadig mede liep, en[367] nimmer onspoed had.
_Proverb._ 1.
Der dwazen voorspoed mag haar[368] geenszins baten niet,
Maar zal ten leste hen nog brengen in't verdriet.
Men zegt Polycrates, gelukkig boven allen,
De onstadige fortuine is altijd toegevallen:
Als hij op eenen tijd in vriendschap zich verbond
Met zijnen goeden vriend, hij, boven hand en mond,
Om deze vriendschap vast en trouwlijk te bevesten
Nog zijnen gouden ring in 't water wierp ten lesten:
Maar als hij naderhand, naar koninklijken eisch[369],
Zeer aardig aan den disch zat binnen zijn paleis,
Vand hij den zelven ring, die was in 't meer geworpen,
In 't lijf van eenen visch zeer zeldzaam opgeslorpen[370].
O wonderlijk bedrijf! het schijnt wel voor gewis,
Dat menig mensche tot geluk geboren is:
Den eenen jaagt' er naar, en 't loopt steeds voor hem henen,
En't komt den and'ren t' huis, zelfs eer hij 't zoude meenen.
De ziende schiet naar 't wit en raakt een bonte kraai;
De blinde koning wordt, en treft den papegaai.