LXIV.

(ARION.)

De Dolfijn in het meer, bewogen vande snaren,

Den harper Arion[355] draagt door de blaauwe baren.

_Jon._ 1.

Drie dagen Jonas inden walvisch was gedolven,

Die eindelijken hem spoog uit de watergolven.

De herper[356] Arion[355] den Ocean ging kruisen

In een Corinthsche bark, ontziende niet het bruisschen

Des grondeloozen meirs, opdat hij aan het strand

Zijn stappen zetten mocht in 't schoon Hesperisch land:

Maar naauw en[357] is hij t' scheep, of heim'lijk hij en hoorden,

Dat hem het schip-volk 's nachts bestemde te vermoorden,

Dies hij van angst en vrees schier kroop in eene schulp,

Als hij verlaten zich, van alle menschen hulp,

Vond in zijns lijfsgevaar; wat raad in dees verbazing!

Hij gaat terstond (als door een Goddelijke inblazing)

Zijn lichaam cieren, en toemaken hupsch[358] en schoon,

Gelijk hij was gewoon, als hij den zoeten toon

Zijns gulden citers in een schouwplaats plag te wekken,

Opdat zijn ciersel nog tot zijns lijks eer mocht strekken,

En dat hij als de zwane, in zijnen lesten nood,

Met eenig droevig lied beklagen mocht zijn dood.

Dus zijnde toebereid, dus zijnde toeberustet[359]

Hij tot den schipliên zegt: "Matrozen, mij gelustet

Tot d' eere Apollinis[360] een lied te heffen aan."

Maar als hij naauwlijks nog ten halve heeft gedaan,

De zonne in Tethis schoot, met zijne vuur'ge peerden,

Daalt zachtelijken neêr, om daar zijn rust te aanveerden;

Het boots-volk, al verwoed, gelijkerhand toe treedt,

Eer nog zijn donker zeil de nacht hadde uitgespreed,

En komt gewapend aan, om zijnen draad[361] te korten,

Dies hij van boven neêr zich in de zee gaat storten:

Maar eer met zijn gansch lijf hij nog in 't water plost[362]

Hij van de dolfijns wordt gedragen en getrost[363],

De een neemt hem op den rugge, en de ander door de baren

(Als of zij dezen dienst hem dobbel schuldig waren)

Geleidden hem door 't nat: dies, eer hij ommekijkt,

Is't schip zoo wijd van hem, dat het een schelp gelijkt.

Hij heft zijn aanschijn op, en vrolijken[364] van verren

Aanschouwt de zilv'ren mane en zoo veel gulden sterren,

Dies hij gedenkt, dat Gods gerechtigheid wijd zweeft,

En niet met één oog ziet, maar zoo veel oogen heeft

Als sterren in de lucht, daarmede hij bespiedet

Al 't geen wat op der eerde of in de zee geschiedet:

't Welk in dit groot gevaar hem een kloek herte maakt,

Tot hij behouden zoo t'wijl[365] aan den oever raakt.

O, domme mensch! leert hier; kruipt eens uit uwer schelpen[366],

Hoe uwen naaste gij in nood behoort te helpen.

De complete werken van Joost van Vondel. Vergelijking van de Verlossinge der Kindren Israels met de Vrijwording der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, [etc.] · 第 93 / 105 题