LXIII.

(DRONKENSCHAP.)

Een schaap, aap, zwijn, of leeuw de dronk maakt vanden man,

Als 't nat is in zijn lijf, zijn wijsheid in de kan.

_Proverb._ 23.

De wijn heel zoet en glad wel door de keele leekt,

in den buik hij dan gelijk een slange steekt.

Men zegt, dat eenen boer of eenen botten kinkel,

Die woonden op het land, (hij heeten Eloog[349] Schinkel)

Met vierderleye mist van beesten heeft gevet

Den wijngaard: wie te veel van dezen wijn, ik wed[350],

Zal zuipen (zeide hij), ik wed dat van vier dieren

Hij één naar-apen[351] zal, in alle zijn manieren:

Het zij hij wordt gelijk een slecht, onnoozel schaap;

Het zij hij lustig bootst[352] als eenen drol'gen aap;

Het zij hij vuil, onnut, en onrein als een verken,

Of eenen grammen leeuw gelijk werde in zijn werken;

Want wie met vele wijns verladet[353] zijnen geest,

Wordt in zijn dronkenschap het een of 't ander beest.

Indien de dronkaart wist, of kon te dege ramen,

Hoe hem de dronk misstaat, hij zoud' hem[354] moeten schamen.

De complete werken van Joost van Vondel. Vergelijking van de Verlossinge der Kindren Israels met de Vrijwording der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, [etc.] · 第 92 / 105 题