LXII.

(GIERIGHEID.)

't Is Tantalus, die hier in 't water werd gepijnd,

Die dorst en honger lijdt, en nimmermeer verdwijnt[339].

_Sap._ 11.

Daar hier de mensche in heeft gezondigd in dit dal,

Hij wederom zijn straf daarin ook dragen zal.

Eilacen! Tantalus, die niet[340] en kan verwinnen[341],

Ligt inde Helle-vliet begraven totter kinnen[342];

Hem hongert en hem dorst, dat hij van smerten krijst[343],

En nimmermeer wordt hij gelavet[344] noch gespijsd,

Maar stadig aan getergd: hij staat diep inden gronde

Des waters, en de vrucht hangt boven zijnen monde:

Zoo hij naar 't water bukt, ontzinket hem de stroom,

En grijpt hij naar de vrucht, zoo wijkt den Appel-boom.

Maar, lieve! zegt mij doch, is niet des gier'gen herte

Als Tantalus gepijnd, en heeft gelijke smerte?

Vermits 't vervloekte goud, daar hij op is belust,

Nog nooit heeft zijnen dorst en honger uitgebluscht;

Hij gaapt altijd naar goud, en hoe veel gele slijke

Hij vreet en inneslokt, zoo'n is hij nimmer rijke,

Maar in zijn goed verarmd: zoo dikwijls als hij hapt

Naar goud en zilver, hem 't genoegen wordt ontsnapt[345]:

Hij derf[346] naauw zijnen darm met 's lichaams nooddruft vullen,

En warmt hem bij den heerd naauw bij een hand-vol krullen:

Hij heeft altijd het goud als eenen wolf bij 't oor,

Hij rammelt nacht en dag in zijn vervloekt tresoor:

Het goud is zijnen God, dat eert hij langs hoe kloeker,

Hij kankert[347] de gemeent met overbaat[348] en woeker,

En als hij sterven zal, zoo is al zijn beklag,

Dat hij zijn geld hier laat, en niet meê dragen mag.

De complete werken van Joost van Vondel. Vergelijking van de Verlossinge der Kindren Israels met de Vrijwording der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, [etc.] · 第 91 / 105 题