(MISBRUIKTE KRACHT.)
De sterke Milon hier een ieder wil ontluiken[331],
Dat elk verhoeden zal zijn gaven te misbruiken.
_Judic._ 16.
Of schoon de Nazareen[332] had veel gewelds bedreven,
Zoo bracht zijn sterkheid hem ten laatste toch om 't leven.
De sterkheid Milons wordt gedacht van ons voorouders,
Die eenen grooten stier, geladen op zijn schouders,
Licht op eens hoogen bergs verheven spitse droeg,
Alwaar hij met zijn vuist hem dood ter aarden sloeg,
En eindelijk zijn maal daarmede heeft gehouwen[333]:
D' hoofd-slapen hij bewrong met dik gedraaide touwen,
En zijn hoofd-zenuwen zoo krachtig hij verhief,
Dat alles brak in twee, het was dan leed of lief[334]:
Hoe geerne wilde ik zien, dat iemand hem ontrukte
Den appel, dien hij met vier vingeren omdrukte:
Maar door verwaandheid (laas!) hem eindelijk, hoe vroom[335],
Zijn eigen kracht bedroog, toen eenen dikken boom
Om scheuren hij met beî zijn handen heeft gegrepen;
Want als de klove sloot bleef hij daar in genepen,
In 't woeste en eenzaam woud verlaten in zijn smert,
Tot hij een gretig[336] aas der wilder[337] dieren werd.
Dus wie zijn kracht misbruikt, gedijt ze nog in 't ende
Tot zijnes[338] meesters straf, met droefheid en ellende.