(IJDELE ROEM.)
Aanmerkt, hoe Firmius, gelijk de dwaze doren[327],
Ons zijne kracht laat zien, en zijne sterkheid hooren.
_Jerem._ 9.
De sterke wachte zich (hoe krachtig hij zich noeme),
Dat in zijn groote kracht hij niet te zeer en roeme.
Zoo sterk was Firmius van lichaam en van leden,
Dat, klits-klats, klits-klats, hij met hameren liet smeden
Op een zwaar aanbeeld, daar zijn lichaam onder lag;
Want nooit verstaalder mensch men immermeer en zag.
Maar of schoon zulken kracht hij hadde vande Godheid
Ontvangen, niettemin was 't wel eene groote zotheid,
Dat hij met zulk gevaar beproefde zijne kracht;
De wijze man[328] zijn doen bespottet en belacht:
De kracht des lichaams ons nature niet geschonken
En heeft, op dat wij daar meê heerlijk zouden pronken,
Noch om door ijdele eer daardoor te zijn beromd[329],
Maar nutten[330] dankbaar die, daar 't ons te passe komt.