(BELOFTE MAAKT SCHULD.)
Hier ziedy 't schoon voorbeeld, den grooten Roomschen[321] Tempel
Van 't Menschelijk Verbond, ons tot een goed exempel.
_Eccles._ 5.
Het geen gij God belooft en wilt geenszins vertrekken[322],
Want een mishagen heeft den Heere aan de gekken[323].
Numa Pompilius liet stichten, binnen Romen,
Den tempel des Verbonds, zeer schoon en uitgenomen[324];
Hij was heel cirkel-rond in zijnen ommeloop,
't Gewelf te zamen hing gebonden knoop aan knoop[325].
De Romers kwamen hier, 't was eenen fijnen regel,
Al 'tgeen hier werd beloofd hield vast als eenen zegel.
Fy! schamen moeten zich, die nu met hunnen mond
Beloven dit of dat, en breken 't weêr terstond.
Wie iemand iets belooft (past wel op deze leere!)
Is door zijn eigen woord verbonden aan den Heere.
Wie zijn beloft dan breekt, die breekt een heilig slot,
En spot met geenen mensch, maar met den hoogen God.
Dus als gij iets belooft, ziet of gij 't ook kunt boeten[326],
Want 't is een schuld, die gij zult God betalen moeten.
Wie zijn verbond niet acht, en zijn beloft vergeet,
Heeft een twee-snijdend zweerd voor zijnen hals gesmeed.