LVIII.

(WARE WELDADIGHEID.)

Archilla heeft uit liefde en broederlijker zorgen[315],

Goedhertig zijnen vriend geholpen in 't verborgen.

_Matth._ 6.

Werpt met uw rechterhand de gaven in Gods koffer,

Dat zelfs de slinker niets en weet van uwen offer.

Archilla (zoo men zegt), die, milde en rijk van goedren,

Stond de bedroefden bij als waren't zijne broedren,

Naauw speurende, hoe dat in grooten nood gebrocht

Was zijnen lieven vriend, hem vlijtig heeft bezocht,

En heim'lijk onder zijn zit-kussen weggescholen[316]

Een goede somme munts[317], als of hij 't had gestolen.

Hij heeft een rijk thresoor[318], die zoo zijn goed besteedt,

Dat hij 't naauw zelver speurt, noch zijnen vriend schier weet[319];

De gifte blijft hem bij, zijn weldaad onvergeten

Hem weder in den schoot wordt dobbel toegemeten.

Des armen dorstig hart, dat is des wijzen flesch,

Zijn gelden hij verspaart in zijnes naasten tesch[320],

Hem zelven hij besteelt, en maakt veel goede vrinden:

Die hier zijn goed verliest, die zal't hier namaals vinden.

De complete werken van Joost van Vondel. Vergelijking van de Verlossinge der Kindren Israels met de Vrijwording der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, [etc.] · 第 87 / 105 题