LVII.

(KLUCHTIGE WIJSHEID.)

Empedocles bewijst hier, met een kluchte fijn,

Dat daar het vierschaar slaapt, de rechters ezels zijn.

_Jerem._ 22.

Om dat Josiæ zoon 't gerecht niet wil handhaven,

Als eenen ezel hij op 't veld zal zijn begraven.

Empedocles, voor 't recht of vierschaar, onversaagd

Als taalman kwam voor een, die hard was aangeklaagd;

Daar komende vand[311] hij de rechters t' zamen slapen,

Dies sprak hij kluchtig, om hun listig te betrapen[312]:

"Een reiziger, als hij om reizen was bedocht,

Huurde eenen ezel, die hem spoedig dragen mocht;

Maar onderwegen hij, amachtig[313] en schier flaauwe,

Koos voor des middags brand des ezels koele schaauwe:

Den eigenaar des muils[314] die van der zonnen vlam

Schier smolt, die zeide, dat 's beests lommer hem toe kwam;

Den andren wilde hem daarmede niet gerijven.

Dus om eens ezels schaauw' men twee zag heftig kijven"...

Hiermede Empedocles zweeg, of hij was vermoord;

De rechter hoorde toe, en sprak: "vertelt ons voort".

Doen loeg de filosoof, en voegde nog bij dezen:

"Recht eenen ezel gij moogt vergeleken wezen;

Want in eens ezels schaauw schept gij veel meer vermaak,

Als gij deedt, toen gij sliept in des misdaders zaak".

O, dat was recht gezeid! zij mogen 't nog wel hooren:

Vrij, Musa! waar hij zit, daar vat hem hij zijn ooren!

De complete werken van Joost van Vondel. Vergelijking van de Verlossinge der Kindren Israels met de Vrijwording der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, [etc.] · 第 86 / 105 题