LVI.

(DAMON EN PYTHIAS.)

Hoe twee gemakkers[308] zijn malkandren trouw gebleven,

En hebben in 's doods nood de een d'ander niet begeven.

_Joan._ 15.

Waar zag men grooter liefd' (hoe vurig zij ooit brande!)

Dan daar men stelde 't lijf voor zijnen vriend te pande!

In eenen diepen put lag Damon vast gebonden,

Zijn borg bleef Pythias; hij werd na huis gezonden,

Mits dat hij keeren zoude, en uit de vangenis

Des kerkers zijnen vriend verlossen voor gewis:

De wederkomst vertrok[309], den tijd, die was verstreken,

Maar Pythias (eilaas!) bleef in de vreeze steken:

Zijn vonnis was gemaakt, hij werd geleid ter dood,

Maar Damon t'wijlen komt, en ziet hem in den nood:

"Heer koning!" (zeide hij) "tast mij aan zonder zorge,

Ik, schuldenaar, ontsla hem van zijn trouwe borge!

Ik ben den rechten man, ik heb de dood verschuld[310],

Dies mijnen vrund ontslaat, en 't recht in mij vervult!"

De koning, al verbaasd bezag dees lieve vrinden,

Die trouw tot in der dood malkanderen beminden,

Dies hij verwonderd was, en in zich zelven loeg,

En om zoo trouwen daad hun beidegaêr ontsloeg.

Dus eenen trouwen vriend is beter als veel broedren,

En kostelijker schat dan al des werelds goedren.

De complete werken van Joost van Vondel. Vergelijking van de Verlossinge der Kindren Israels met de Vrijwording der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, [etc.] · 第 85 / 105 题