(PENELOPE'S TROUW.)
De daad Penelope's is een leerachtig[299] voorbeeld,
Want met heur kuischheid zij de onkuischeid heeft veroordeeld.
_Eccles._ 26.
Een deugdzaam fijne vrouw, die eerbaar is en kuisch,
Is 't beste goed des mans, en 't ciersel van heur huis.
Komt bij Penelope, o, vrouwkens! hier ter scholen,
Die, t'wijl Ulysses vast gaat twintig jaren dolen,
(Tien jaren om de blom van Menelai hof,
Waarom 't schoon Trojen werd geblixemd al tot stof;
En andre jaren tien door de ongestuime baren,
Waar meê hij stoffe geeft Homeri zoete snaren)
Heur zuiverheid behoudt; hoe lange hij vertoeft,
Zoo blijft zij hem getrouw; hoe hard zij wordt beproefd
Van zoo veel welpen[300], en ontstekende[301] benijders
Van heur sneeuwwitte vleesch, 't zijn al vergeefsche strijders,
Hoe zij gepijnigd wordt: "Ulysses is lang weg,
Misschien door Hectors zweerd gevallen in 't beleg,
Of op zijn wederkomst (dit hebdy[302] licht te gissen)
Verzopen inde zee, en g'eten[303] vande visschen;"
Maar als zij nu op 't lest zal laten inden strijd
Het heiligst, dat zij heeft Ulyssi toegewijd,
Zij hen uitstelt zoo lang, tot dat zij 't fijne webben
't Welk zij begonnen heeft, zal afgeweven hebben.
Hier meê zijn zij gepaaid; dus, wat zij inden dag
Weeft, dat ontweeft zij 's nachts, als 't niemanden[304] en zag.
O, pollen[305]! zijdy blind, gij meent den brand te blusschen,
Ziet, wat zij 's nachts ontvlecht, zoolang, tot ondertusschen
Ulysses weêr betreedt den dorpel van zijn huis,
En met zijn komst verlicht zijns vrouwen lastig kruis.
De minnaars druipen weg, zij zien haast wat daar thuis leît:
Dies komt de kroon heur toe van d' onverwonnen kuischeid.