LIII.

(KRACHT DER ZONDE.)

Ziet hoe Ulyssis maats en makkers met malkand'ren,

Door Cyrce's toover-drank, in wild gediert verand'ren.

2 _Pet._ 2.

De hond, die is gekeerd tot zijn uitspouwsel ras,

De zeuge weêr in 't slijk, als zij gewasschen was.

Ziet, hoe Ulyssis volk (in eenen storm versteken

Aan 't land Cyrceum[289] vast), door Cyrce's looze treken

En boozen toover-drank, verliezen 's lijfs gedaant;

Die menschen waren eerst, zijn beesten eer men 't waant.

Aanschouwer! zoo u dunkt, dat gij wel moogt[290] ontberen

Dees zeldzaam fabel, die (zoo 't schijnt) u niet kan leeren,

Hoort, hoe de wijsheid zelf zoo aardig hier op gloost[291],

Als inden kerker zij Boëthium[292] vertroost:

Zijn menschheid (zegt zij) is verdwenen en verslonden,

Die onderworpen is het juk der snoode zonden;

Die zich in 't kwaad verkeert[293], 't zij de eene of d' ander uur,

Terstond daar door verliest zijn mensch'lijke natuur:

Wie door begeerlijkheid pleegt onrechtveerdig grapen[294],

Is eenen wolf die zich geneeret[295] op de schapen:

Die twist en tweedracht maakt, die is alreê gestraft,

En eenen hond gelijk, die ieder een aanblaft:

Die vrolijk is, wanneer hij iemand iets ontlorden[296],

Te recht met eenen visch mag vergeleken worden;

Die toornig briescht en grimt, ja, maakt een groot geschreeuw,

Te recht inwendig draagt het hert van eenen leeuw;

Die stadig is bezorgd met vele onnutte vreezen,

Mag voor een blonde hinde of hert gehouden wezen:

Die trage is, lui en bot, in wezen en in schijn,

Dat moet in zijne huid wel eenen ezel zijn;

Die wispelturig is, met vele onstade[297] grillen,

Zal vande vogelen zoo vele niet verschillen;

Die in onreinigheid en vuiligheid opwast,

Is aan den snooden lust der vuiler[298] zeugen vast;

En aldus wordt den mensche (ik stemme met vele ouden)

Een beeste, of hij schoon 's lijfs gestalte heeft behouden.

De complete werken van Joost van Vondel. Vergelijking van de Verlossinge der Kindren Israels met de Vrijwording der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, [etc.] · 第 82 / 105 题